Om de terreur te stoppen, moeten we het klimaat veranderen

Er is wel degelijk verband tussen de opwarmende aarde en Islamitische Staat (IS). Laat China, Europa en de Verenigde Staten de uitstoot van hun CO2 verlagen ten bate van Afrika, stelt Jack Goldstone voor.

Aral Meer, gezien vanuit de ruimte. Dit meer, tussen Oezbekistan en Kazachstan, droogt sinds 1960 op. Foto ANP

De wereldleiders, deze week in Parijs bijeen om iets aan de klimaatverandering te doen, opereren onder de schaduw van de jongste aanslagen door Islamitische Staat. Toch mogen zij niet vergeten dat het verband tussen klimaatverandering en IS, en in algemenere zin tussen klimaatverandering en politieke instabiliteit – niet toevallig is. Sterker, het kan zelfs dé realiteit van de 21ste eeuw zijn.

De opkomst van IS vloeide direct voort uit het falen van het Syrische bewind tijdens de opstanden in de steden, in 2011. Deze opstanden vielen uit de lucht noch werden ze alleen ingegeven door de protesten in Tunesië, Libië en Egypte. Immers, in de jaren ’90 groeide de welvaart in Syrië en in de steden werkten allerlei etnische en godsdienstige groeperingen samen.

Maar tussen 2006 en 2009 werd Syrië getroffen door de ergste droogte in de moderne geschiedenis. Die droogte had geen natuurlijke oorzaak, bleek onlangs uit een artikel in Proceedings of the National Academy of Sciences. Integendeel, uit computersimulaties bleek dat de hogere temperaturen en de zwakkere winden (waardoor er minder vocht uit de Middellandse Zee werd aangevoerd) vermoedelijk een reactie op de stijgende uitstoot van broeikasgassen waren.

Gecombineerd met slecht waterbeheer en verwaarlozing van de landbouwomstandigheden door de overheid leidde de droogte in noordoost Syrië tot een ineenstorting van de landbouw. Bij 75 procent van de boeren mislukte de oogst, 80 procent van het vee ging dood. Zo’n 1,5 miljoen boerengezinnen trokken naar de steden, op zoek naar werk en eten. Ze voegden zich bij de miljoenen vluchtelingen uit Palestina en Irak. De druk van deze vluchtelingen op de steden in Syrië en de nood van de boeren die door de droogte hun land verloren, droegen bij tot de verbreiding van de opstand tegen het bewind-Assad.

De klimaatverandering is natuurlijk niet de hoofdoorzaak van het conflict – het is, om met de wetenschap te spreken, een ‘structurele dreiging’. Overheden die op dat soort dreigingen kunnen inspelen – omdat ze de steun hebben van het volk en de elite, de middelen hebben om op de beproevingen te reageren, bereid zijn deze in te zetten om voedsel en hulp onder de noodlijdenden te verdelen, en de economische diversiteit hebben die werk kan opleveren – raken niet van de wijs door de opwarming van de aarde.

Zouden we in een wereld leven waarin alle regio’s door zulke overheden worden geleid, dan zou de klimaatverandering wellicht een economische last zijn en zou zij tot veranderingen in onze levensstijl leiden, maar ze zou niet de dreiging van een uiteenvallende staat en een burgeroorlog met haar meebrengen.

Helaas worden Midden-Amerika, het grootste deel van Afrika, het Midden-Oosten en een groot deel van Zuid-Azië nu juist geleid door het verkeerde soort overheden. Deze regio’s kennen te veel wankele staten, waar als gevolg van etnische, religieuze of economische uitsluiting grote sectoren van de elite of de bevolking de overheid wantrouwen, waar de overheid beperkte economische middelen heeft om op humanitaire crises te reageren, waar de overheid weigert iets te doen aan de problemen van randgroepen of achtergebleven gebieden en waar de economie te veel afhankelijk is van de landbouw of de mijnbouw en dus geen werk kan bieden aan mensen die noodgedwongen verhuizen.

In zulke landen – of erger nog, in groepen van zulke landen – kan een piek in de voedselprijzen, een ernstige droogte of een verwoestende overstroming een overheid zwaar op de proef stellen. En als de ene overheid dan faalt, kunnen de daaruit voortvloeiende conflicten overslaan naar andere wankele staten.

Wat hebben Libië, Syrië, Irak, Jemen, Afghanistan, Nigeria, de Centraal-Afrikaanse Republiek, Somalië en Mali gemeen? Het zijn mislukte staten, die de zeggenschap over delen van hun grondgebied hebben verloren. Door het verzwakte staatsgezag kunnen militanten, in het bijzonder IS, aanhangers werven en operaties uitvoeren. Daarbij hebben de conflicten geleid tot enorme golven vluchtelingen naar Europa.

Stelt u zich nu eens een wereld voor waarin de Afrikaanse bevolking van onder de 24 met 500 miljoen mensen is toegenomen, en waarin de bevolking van Syrië, Afghanistan, Irak, Palestina en Jemen met meer dan 100 miljoen mensen is gegroeid. Dat is de VN-prognose voor 2050. Voeg daar ernstige droogten, verwoestende overstromingen, misoogsten en massale volksverhuizingen bij, met als gevolg botsingen en een verhoogde concurrentie tussen etnische en religieuze groeperingen die strijden om land, hulpbronnen en inkomsten.

Stelt u zich vervolgens voor hoe de overheden van deze gebieden op zulke crises zouden kunnen reageren, en of Europa en andere veilige havens ook maar een fractie van de vluchtelingen kunnen opnemen. Zou het ooit tot zo’n wereld komen, dan zouden de huidige crisis in Syrië en de acties van de terroristen van IS weleens verveelvoudigd kunnen worden. Daarom moeten de wereldleiders in Parijs krachtige maatregelen nemen om de opwarming van de aarde een halt toe te roepen. Op die manier kunnen ze de hoofdbronnen van mogelijk toekomstig staatsfalen en terrorisme weg nemen.

Voor bescheiden maatregelen is het te laat. Veranderingen in het weerpatroon zorgen er nu al voor dat kwetsbare gebieden onvoldoende regen krijgen – dat wijst de studie naar de droogte in Syrië uit. Om verdere rampen te voorkomen, moeten we meer doen dan alleen een pas op de plaats als het gaat om de CO2-uitstoot in China, Verenigde Staten en Europa.

De huidige CO2-voetafdruk van Afrika is miniem. De bevolking heeft immers zo weinig toegang tot energie - elke Afrikaan brengt minder dan een zevende van de CO2-uitstoot voort dan de gemiddelde Chinees. Zou Afrika echter in 2050 per hoofd van de bevolking evenveel CO2 uitstoten als het huidige China, dan is de Afrikaanse uitstoot even hoog als die van het huidige China en de Verenigde Staten samen.

Met andere woorden, zou Afrika in 2050 alleen al het Chinese niveau van fossiel brandstofverbruik bereiken, dan zou de totale werelduitstoot halverwege de eeuw nog altijd met 40 procent groeien - ook als de huidige grootvervuilers de volledige groei van hun uitstoot een halt weten toe te brengen. Dan ook zou de werelduitstoot ver uitstijgen boven de CO2-omvang die nodig is om de totale temperatuurstijging binnen de grens van de twee graden te houden – de twee procent die het International Panel on Climate Change heeft aanbevolen om een ernstige klimaatverslechtering te voorkomen.

Om tegemoet te komen aan de noodzakelijke groei van het energieverbruik in Afrika – van levensbelang om landen in Afrika veerkrachtiger te maken en beter in staat te stellen hun groeiende bevolking werk en veiligheid te bieden – moet de wereld snel handelen. Ten eerste moeten de grootvervuilers snel het huidige peil van hun CO2-uitstoot verlagen. Ten tweede moeten ze CO2-arme manieren voor economische groei bedenken, zodat de rest van de wereld zich kan ontwikkelen - zonder nieuwe, structurele dreigingen van politieke crises.

Deze doelstellingen zijn te halen. Zouden de Verenigde Staten, Europa en China allemaal hun CO2-uitstoot met 20 procent verlagen, dan kunnen andere, nog in ontwikkeling zijnde landen hun CO2-uitstoot met bijna een derde verhogen, zonder dat de werelduitstoot toeneemt. Dát zou het doel voor de komende tien jaar moeten zijn.

Daarna moeten we manieren vinden waardoor alle landen minder afhankelijk worden van fossiele brandstoffen, en waarmee ze de werelduitstoot terugdringen, terwijl ze toch naar een groei van de wereldeconomie streven.

Het terrorisme gedijt in zwakke en mislukte staten en onder ontheemden. Willen we dit in de toekomst verminderen, dan moeten we ervoor zorgen dat ons klimaat niet verder achteruitgaat. Want voorkomen we niet dat de aarde verder opwarmt, dan kan de stijging van de politieke temperatuur weleens veel hoger zijn dan de opwarming van het weer buiten.