Kunst is denken met het hoofd van een ander

Interieur van het nieuwe De La Mar Theater in Amsterdam. Foto: Leo van Velzen/NRC

Annet Veenstra gaf deze lezing bij de presentatie van het eindrapport van de commissie Guusje ter Horst. En ze kreeg de zaal muisstil. De commissie onderzocht het publieksbereik van gesubsidieerd toneel en presenteerde op 4 december haar bevindingen aan minister Jet Bussemaker in Den Haag. Annet is journaliste bij NRC en werd door de commissie benaderd naar aanleiding van haar eerdere opiniestuk ‘Toneel, leuk! Maar wie wil er met mij (24) mee?’

 

In een stoffige kelder, op een vloer bezaaid met boeken, kaften en een kreupele piano staat een papierpletter. Elke dag worden alle versleten boeken naar zijn kelder gebracht waar hij ze in zijn papierpers tot kleine pakketjes vermaalt. Met de groene knop gaat de pers aan, met de rode uit. Wat niemand weet is dat de man in elk pakket één pareltje verstopt. Eén magistraal boek binnenin zo’n bundeltje papier: een Faust, een Goddelijke Komedie, een Odyssee. Door al die boeken om hem heen – hij leest ze heimelijk – is de papierpletter, tegen zijn wil in, wijs geworden. Hij citeert Camus, Nietzsche en Kant aan de lopende band en schudt de meest klinkende citaten zo uit zijn mouw. In zijn papierpers wil hij nog wel eens een muisje meemalen. De muizen en de pletter hebben namelijk gemeen dat ze zich allebei met de letteren in leven houden.

Dit wondermooie toneelstuk, geschreven door de Tsjechische schrijver Bohumil Hrabal, had ik niet zelf uitgezocht. Sterker, deze ode aan de literatuur was geheel aan me voorbijgegaan, ware het stuk me niet aangeraden door collega Joyce. Joyce kwam op een ochtend vastberaden terugbenen van de koffieautomaat – ik was koud gaan zitten – en donderde de theaterfolder op mijn bureau: ‘Al te luide eenzaamheid’. Theater Zuidpool. “Liefje, ga hier maar naartoe vanavond.” De windvlaag van haar snelle pas trok nog wapperend door het gangpad, een zweem van haar parfum bleef rond mijn bureau hangen, maar Joyce zelf was al gevlogen. Er restte mij weinig anders dan te gehoorzamen. En met plezier. Want zo laat de mens zich nog altijd het beste verleiden tot kunst: via iemand anders.

Je hebt een ander nodig om je te laten kennismaken met het onbekende. Ik kon op mijn beurt weer een Joyce zijn voor iemand anders. Ik nam een vriendin, die nauwelijks toneelvoorstellingen bezoekt, mee naar een stuk. Een stuk met veel naakt. Ook daardoor laat de mens zich nog wel eens verleiden tot kunst. “Weet je, Annet,” zei ze, “ik wil heus wel naar het theater. Maar dan scroll ik door het programma van zo’n schouwburg en denk: Waar moet ik dan heen? Wat is leuk? En dan kom ik toch weer uit bij iets dat ik al kende.” In het vervolg belt ze mij, als ze naar het theater wil. Want als je niet weet wat er te koop is, dan kun je je pijlen zo moeilijk richten.

De papierpletter had het maar makkelijk wat dat betreft. Grote schrijvers, kleine schrijvers, studieboeken, tijdschriften, proefschriften; teksten kwamen ongefilterd en in alle vormen zijn kelder binnen. Zo las hij over de rattenpopulaties in het riool. Sinds dat boek doet hij af en toe zijn putdeksel even open om te luisteren naar de ratten. En passant hoort hij dan het melodieuze leegstromen van een wasbak en het klaterend applaus van wc’s die worden doorgetrokken. Hij realiseert zich, luisterend naar de hevige strijd tussen de rattenkolonies, dat deze nauwelijks verschilt van een bovengrondse oorlog tussen mensen. De geschiedenis beweegt zich in een slinger en alles springt uiteindelijk in zijn tegendeel terug. Hoe meer de pletter leest, des te helderder ziet hij dat alles met elkaar samenhangt. Tegen zijn wil in is de papierpletter wijs geworden. Kunst doet dat soms per ongeluk met je.

Toch draait het niet om het aantal voorstellingen of kunstwerken dat je hebt gezien. De waarde van kunst ligt in de onbekende werelden die je ermee ontsluit. Kunst is een instrument, een communicatiemiddel.

Twee jaar geleden moest ik afscheid nemen van iemand die veel voor me betekend had. Ze ging niet dood hoor, ik ging gewoon verhuizen. Ik wilde haar zeggen hoe ons contact me had geraakt. Maar ik kreeg het niet goed onder woorden. Toen dacht ik aan een passage uit de laatste Donna Tartt. Dus besloot ik bij het afscheid een bladzijde cadeau te geven. Waar toevallig nog een boek aan vastzat. Ik gaf de instructie dat ze de pagina niet mocht lezen voor ze de voorgaande pagina’s netjes uit had. En dat ze, eenmaal aangekomen bij bladzijde 191, nog even aan me moest denken. Onderaan die pagina stond:

Toen stond ik in de gang, waar Hobie geruststellend een hand op mijn schouder legde, een krachtige, troostende druk, als een anker dat me verzekerde dat alles in orde was. Sinds de dood van mijn moeder had ik zo’n aanraking niet meer gevoeld – vriendschappelijk, kalmerend te midden van verwarrende gebeurtenissen – en als een zwerfhond die hongert naar genegenheid voelde ik een diepe verbondenheid ontstaan, kloppend in mijn bloed, een plotse, nederig stemmende, sentimentele overtuiging: dit is een goede plek, hier zal niemand me kwaad doen.”

Treffender kon ik mijn gevoel niet uitdrukken. Via die zinnen kon ik haar laten voelen wat ik voelde, veel beter dan wanneer ik het haar zou hebben verteld. Kunst is denken met het hoofd van een ander. In een wereld en tijd waarin het begrijpen van een ander steeds moeilijker wordt, hebben we de taal van de kunst nodig om door de ogen van die ander te kunnen kijken. Simpelweg omdat we het op straat, of in de debatzaal nooit zo helder onder woorden krijgen. En omdat kunst niet probeert te overtuigen, maar een gelijkwaardige ontmoeting nastreeft; de kunstenaar zet de eerste streken op het doek, de toeschouwer vult het vervolgens verder in vanuit zijn eigen perspectief.

Toneel gaat verder; in het theater is de mens die je ziet, echt. Als je kunst als een oefening voor het leven ziet, dan is toneel de zuiverste laboratoriumsetting.

Een van de muizen raakt op een goede dag in paniek en begint de schoen van de papierpletter aan te vallen. Hij schuift het beestje voorzichtig opzij, maar het blijft zich in blinde vaart op de neus van zijn schoen storten. De papierpletter kijkt in de ogen van het muisje. En ineens ziet hij dat er in de ogen van de muis meer is dan de sterrenhemel boven hem of de morele wet in hem. (Hij citeert Immanuel Kant.) Door het lezen van die vele boeken kreeg de pletter dus niet zozeer meer oog voor het Grote en het Abstracte, maar juist meer voor het kleine en het particuliere.

Daarom is toneel zo godsgruwelijk belangrijk. Het theater bezoeken we niet alleen omdat het ons vertier geeft, of opdat we in de foyer kunnen pronken met de hoeveelheid culturele bagage in onze rugzak. Kunst kijken we omdat we er perspectivische lenigheid mee ontwikkelen. En die lenigheid voorziet ons van een kompas om invoelend en met een open blik de ander tegemoet te treden. Kunst zou dezer dagen maar zo eens onze redding kunnen zijn.

En als de theaters leeglopen, dan moet je dus niet het aanbod gaan versmallen tot slechts de publiekstrekkers – wie dat heeft voorgesteld, heeft de opvoedende functie van toneel niet begrepen en verdient een flinke draai om zijn oren – maar dan moet je zorgen dat jongeren weer vertrouwd raken met de theaterzaal, ook de kleine. En daarvoor hebben ze een Joyce nodig. Of dat nu een ouder is, een docent op school, of de buurvrouw in de straat. Een kind moet de bloemen in de tuin te zien krijgen. En ik weet wel, sommige mensen hebben geen tuin met bloemen. Dus moet het ook op school aan bod komen. En dan niet van die slappe schoolproducties door goedwillende amateurs, maar echt een paar topstukken van niveau. Later bepaalt het kind zelf wel of hij botanist wordt, slechts een semi-regelmatige bezoeker van de plaatselijke bloemist of zelfs nooit van zijn leven meer een bloem wil zien. Maar hij is ondertussen wel gevormd op een wijze die een studieboek nooit kan evenaren.

Op een dag wordt de papierpletter ingehaald door de moderne techniek. Zijn kleine pers, en nog twintigtal andere persen, zijn niet langer nodig. Ze worden vervangen door één grote, hydraulische pers. De boeken worden niet langer heimelijk gelezen in kelders, maar verdwijnen ongelezen in de machinerie. De pletter besluit geen onmenselijke, propere boeken te gaan pletten in die nieuwe pers, maar de eer aan zichzelf te houden. Hij neemt afscheid van zijn kelder en van de boeken. Al kwam hij zelden buiten, toch is de papierpletter via kunst de wereld over gereisd. Een simpele arbeider is in die donkere kelder wijzer geworden dan u en ik bij elkaar.

Dan stapt hij in zijn eigen pers in en drukt op de groene knop. In zijn hand houdt hij zijn favoriete boek geklemd. Zijn vinger ligt op de mooiste zin. En terwijl ik op de eerste rij naar die slotzinnen luister, biggelen de tranen over mijn wangen. Want ik weet wat de papierpletter bedoelt. Hij heeft het over dat moment, dat diep ontroerende moment, als in een zin ineens alles op zijn plaats valt en je jezelf herkent.