Knip die universiteit in stukken

Nederlandse universiteiten zijn uitgegroeid tot enorme instellingen die steeds meer moeten: én onderwijs geven én onderzoek doen én maatschappelijke kwesties op de agenda zetten. Dat gaat niet meer, zeggen twee onderzoekers. Laat elke universiteit zich specialiseren.

De dertien universiteiten in Nederland hebben hun langste tijd gehad. „Ze lijken allemaal op elkaar, doen allemaal min of meer hetzelfde. Dat kan niet meer”, zegt historicus Patricia Faasse van het Rathenau Instituut in Den Haag, dat wetenschapsbeleid bestudeert. Naast haar, aan een kleine ronde tafel in een kleine werkkamer, zit Barend van der Meulen, hoofd van de afdeling Science System Assessment van datzelfde instituut. Samen hebben ze een essay geschreven waarin ze pleiten voor een ingrijpende vernieuwing van het hoger onderwijs. Kernwoord: specialisatie. Laat de ene universiteit zich meer toeleggen op onderwijs, de ander op onderzoek, en weer een ander op samenwerking met het bedrijfsleven en regionale overheden.

Andere landen zijn er al mee bezig. Denemarken, Duitsland, Zwitserland, Australië. Nederland nog amper, zeggen Faasse en Van der Meulen. Zij constateren dat de discussie over ‘de nieuwe universiteit’ gevangen zit. „Er bestaat een irreëel ideaalbeeld van de universiteit. Die houdt verandering tegen”, zegt Faasse. Mede daarom hebben ze hun essay geschreven.

De universiteit is sinds de Tweede Wereldoorlog enorm gegroeid. Het deel van de beroepsbevolking dat hoger onderwijs heeft gevolgd is gestegen van circa 5 procent net na WOII tot ongeveer eenderde nu. „Ze is zo belangrijk geworden, dat inmiddels iedereen iets van haar wil”, zegt Van der Meulen. Het bedrijfsleven bijvoorbeeld, Brussel, lokale gemeentes, de burger. En dat getouwtrek zal alleen maar erger worden, betogen ze in hun essay. Kijk maar naar de trends. Eén ervan is ‘een leven lang leren’. Faasse: „Dus gaan ook ouderen een sterker beroep doen op de universiteit.” Studenten- en onderzoekersstromen worden ook internationaler.

Maar het kan niet allemaal tegelijk: én alle studenten bedienen, én fundamenteel onderzoek de ruimte geven, én maatschappelijke vragen agenderen, én innovatie bevorderen, én lokale economieën stimuleren, én internationaal aantrekkelijk zijn voor toptalent, én in Europa meedraaien, én ook nog financieel renderen. Kortom, het is tijd voor specialisatie.

Geen heldere keuze

Precies dat stelde de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid twee jaar geleden al, in haar rapport Naar een lerende economie. Ook de WRR stelde vast dat de drie taken van de universiteit, zoals ze na de Tweede Wereldoorlog zijn vastgesteld – én studenten opleiden, én hoogwaardig wetenschappelijk onderzoek doen, én dienstbaar zijn aan de behoeften van de omgeving – de universiteiten voor „een bijna onmogelijk opgave” stelt. En net als Faasse en Van der Meulen nu doen, pleitte de raad destijds voor meer specialisatie. Ze stelde ook vast dat Nederland, in tegenstelling tot andere landen, nog „geen heldere keuze” heeft gemaakt.

En dát komt, stellen Faasse en Van der Meulen, omdat in Nederland het idee bijzonder hardnekkig is dat er één ideale universiteit bestaat. „Er is een hoop nostalgie binnen de universiteiten”, zegt Faasse. Ze merkten het toen ze bezig waren vier mogelijke toekomstscenario’s voor de universiteiten op te stellen, in samenwerking met de Vereniging van Universiteiten (VSNU). De discussies over de toekomst cirkelen rond drie punten: dat de universiteit toch primair een publieke functie heeft, dat ze vooral gefinancierd moet worden door de eigen overheid, en dat ze een samenhangende gemeenschap van autonome geleerden en studenten moet blijven. „Maar alle drie staan die onder druk, juist doordat universiteiten zo groot zijn geworden”, zegt Van der Meulen.

Universiteiten selecteren studenten bijvoorbeeld steeds meer aan de poort. Dus hoezo, doorstuderen voor iedereen bereikbaar? En inmiddels krijgen studenten ook geen basisbeurs meer. Ze moeten een lening afsluiten. Is dat nog publiek, of wordt het daarmee meer privaat? „En alleen maar willen leunen op geld van de eigen overheid is ook niet meer reëel”, zegt Van der Meulen. Net zo min als dat de universiteit nog een samenhangend geheel zou zijn, zoals ooit de universitas, die was gebouwd op vier faculteiten: theologie, rechtsgeleerdheid, geneeskunde en de artes. „De stormachtige groei van nieuwe studies, vakgebieden en specialismen heeft vooral geleid tot onderlinge spanningen, vervreemding, en concurrentie.”

Dat idee van één ideale universiteit leeft niet alleen op de universiteiten, maar ook bij de overheid, zegt Van der Meulen. Lees de Strategische Agenda Hoger Onderwijs die minister Jet Bussemaker (PvdA) van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen in juli presenteerde – de Tweede Kamer bespreekt die agenda over ruim een week. Eén van haar centrale punten is kleinschaliger onderwijs op hogescholen en universiteiten. Van de honderden miljoenen euro’s die de komende jaren vrijkomen via de invoering van de studielening, gaat een groot deel naar het aantrekken van duizenden extra docenten. „De minister legt één model op aan het hele hoger onderwijs”, zegt Van der Meulen. Alsof alle studenten gebaat zijn bij één model.

Niet alleen dat ideaalbeeld houdt verandering tegen. Er zijn ook typische systeemkenmerken, zegt Van der Meulen. De koppeling tussen onderwijs en onderzoek bijvoorbeeld. Arbeidscontracten van de universitaire staf zijn gecombineerde onderwijs-onderzoek-contracten. Het is nog steeds gestoeld op de oude gedachte dat het onderwijs opleidt tot onderzoeker. „Maar dat is voor hooguit 20 procent van de promovendi weggelegd”, zegt Van der Meulen. Dat gecombineerde contract zorgt er wel voor dat je bij grote studies automatisch veel onderzoek hebt. Al helemaal als je die grote studies – psychologie, communicatiewetenschappen, bedrijfskunde – ook nog eens kleinschalig gaat opzetten. „Het betekent dat je als universiteit je onderzoek mede laat bepalen door de studiekeuze van jongeren tussen de 18 en 25 jaar.” Faasse: „Erken dat je de koppeling tussen onderwijs en onderzoek niet overal kunt volhouden.”

Veel nieuwe sectorplannen

Toch staat Nederland niet helemáál stil. De overheid heeft in 2011 zogeheten prestatieafspraken gemaakt met de universiteiten, bedoeld om onder meer de hoge studie-uitval terug te brengen, en universiteiten te dwingen tot een duidelijkere profilering. Dat gebeurde in reactie op het rapport van de commissie-Veerman (april 2010), die ook al meer specialisatie adviseerde. De ingestelde reviewcommissie die het moet monitoren, rapporteert volgend jaar voor het eerst „of de geformuleerde ambities” zijn behaald. Begin vorig jaar bracht de commissie al wel een verkennend rapport uit. Daarin merkt ze op dat de universiteiten de afgelopen tien jaar alleen maar nóg meer op elkaar zijn gaan lijken qua opleidingen en onderzoek. Precies tégen de gewenste richting in.

Van der Meulen heeft, sinds de prestatieafspraken zijn gemaakt, veel sectorplannen zien langskomen. Daarin wordt wel geschreven over specialisatie. „Maar in de praktijk zie ik er nog weinig van terug”, zegt hij.

De vraag is ook hoe die specialisatie vorm moet krijgen? Er zijn veel modellen denkbaar, zegt Van der Meulen. Denemarken bijvoorbeeld heeft ervoor gekozen één universiteit sterk uit te bouwen, de Universiteit van Kopenhagen, die zich meer is gaan toeleggen op onderzoek. In 2007 gingen de Landbouwuniversiteit en de Universiteit van farmaceutische wetenschappen erin op. Sindsdien is de Universiteit van Kopenhagen sterk gestegen in de internationale rankings. Van der Meulen zou het mooi vinden, een Nederlandse universiteit in de top van de internationale rankings. Maar Faasse ziet het er niet van komen. „Want dat is weer een andere belemmering: het woord fusie is hier besmet.” Groot is fout. Van der Meulen vindt het jammer. „Wat had bijvoorbeeld een combinatie van Delft, Leiden en Rotterdam niet voor nieuwe spannende combinaties kunnen opleveren?”

Faasse en Van der Meulen vinden het in ieder geval cruciaal dat de universiteiten zélf de ruimte krijgen om te variëren. De laatste jaren probeert de overheid weer meer te sturen, door alle kritiek op, en onrust aan de universiteiten. Maar dit leidt volgens Van der Meulen juist tot meer uniformering. De universiteiten willen geen verlenging van de prestatieafspraken..

En als de universiteiten dan al zelf zouden mogen kiezen, zullen ze dan niet allemaal dezelfde richting op willen: die van het toponderzoek? Want dat wordt het hoogste gewaardeerd. Faasse: „Ook al zoiets. Alsof je niet kunt uitblinken in onderwijs.” Ook Faasse zegt dat er veel modellen denkbaar zijn. „Wij maken geen keuze. Wij zeggen alleen dat het, zoals het nu is, niet meer houdbaar is.” Het zou al heel wat zijn als er over specialisatie gepraat kan worden, zeggen Faasse en Van der Meulen. Zij zien dat de discussie nu op slot zit. Faasse: „Door dat achterhaalde ideaalbeeld.”