IS is de tovenaarsleerling van Saoedi-Arabië

Gelovigen op de Vlakte van Arafat bij Mekka, afgelopen september tijdens de jaarlijkse grote bedevaart. Foto Ahmad Masood/Reuters

‘Allah stuurde zijn profeet Mohammed om zijn sharia te verspreiden onder alle mensen – inclusief de mensen van het Boek. Maar veel mensen van het Boek geloofden hem niet en keerden zich van hem af. Hierdoor ontstond er een conflict tussen deze natie, de moslims, aan de ene kant en de joden en christenen aan de andere kant. Dit conflict zal voortduren zolang Allah het wil.

‘Deze hadith geeft een idee van dit conflict tussen de moslims en de joden: Abu Hurayrah, een metgezel van de profeet, vrede zij met Hem, meldde dat de Boodschapper van God zei: „Het Uur [van de wederopstanding] zal niet aanbreken totdat de moslims de joden bestrijden en hen doden. De jood zal zich verbergen achter de rots en de boom. En de rots of de boom zullen zeggen: „O moslim, o dienaar van Allah, er is een jood achter mij, kom en dood hem”.’

Dit is geen passage uit Dabiq, het propagandablad van de terreurbeweging Islamitische Staat. Het is een citaat uit een boek dat als lesmateriaal wordt gebruikt in een Saoedische school in Parijs. Een hoofdstuk, ‘Het Gevaar van de Kruisvaarders’, brengt kinderen bij dat er sprake is van een strijd tussen moslims en christenen. De Franse Revolutie wordt afgeschilderd als een dwaalleer waarvan de volgelingen moeten worden bestreden.

De staatsgodsdienst van Saoedi-Arabië, het wahabisme, verschilt niet zoveel van de ideologie waarmee IS zijn gruweldaden in Syrië en Irak rechtvaardigt. De naamgever, de sunnitische preker Mohammed ibn Al-Wahhab (1703-1792), wilde de islam ‘zuiveren’ door terug te keren naar de oudste, zevende-eeuwse wortels. Al-Wahhab sloot een alliantie met de Saoedische koninklijke familie, die tot op heden standhoudt.

IS en het Saoedische wahabisme staan beide vijandig tegenover joden, christenen, afvalligen, en vooral shi’ieten, die worden gezien als afvalligen. Beide propageren oorlog uit naam van het geloof (jihad). Toch beschouwt het Westen Saoedi-Arabië als trouwe bondgenoot in de strijd tegen terreur. IS daarentegen is in de woorden van de Franse president François Hollande „de grootste fabriek van terroristen die de wereld ooit heeft gekend”.

Gefinancierd met oliegeld

De spectaculaire opmars van IS in Syrië en Irak is echter niet los te zien van de aanzienlijke invloed die Saoedi-Arabië in de moslimwereld heeft. „IS is de tovenaarsleerling van Saoedi-Arabië”, zegt Paul Aarts, auteur van het boek Saudi Arabia. A Kingdom in Peril. De afgelopen decennia heeft het land zijn olie-inkomsten aangewend om de ultraconservatieve versie van de islam te verspreiden over de wereld. Hoewel het wahabisme geen geweld predikt, is het wel degelijk een inspiratiebron voor tal van jihadistische groepen, waarvan IS de meest radicale afsplitsing is. „De theologische onderbouwing lijkt als twee druppels water op elkaar”, stelt Aarts.

Westerse landen bestrijden het symptoom, maar negeren de oorzaak, zeggen critici. En niet voor het eerst. Na de aanslagen van 9/11 kwam deze inconsequentie ook al aan het licht. Bijna alle kapers waren Saoedische staatsburgers. Het Amerikaanse Congres concludeerde in een onderzoeksrapport dat de belangrijkste financiers van Al-Qaeda Saoediërs waren, maar vond geen direct verband met het Saoedische koningshuis. De kwestie werd al snel overschaduwd door de Amerikaanse invasies in Afghanistan (2001) en Irak (2003) – de frontlinies in de strijd tegen terreur. De aandacht verslapte.

Ambivalente relatie

De opmars van IS en de aanslagen in Parijs vestigen opnieuw de aandacht op de ambivalente relatie tussen Saoedi-Arabië en radicaal-islamitische groepen. De Amerikaanse presidentskandidaat Hillary Clinton zei onlangs dat „de Saoediërs, de Qatarezen en anderen moeten voorkomen dat hun burgers scholen, moskeeën en extremistische organisaties wereldwijd financieren die zoveel jonge mensen op het pad naar radicalisering hebben gezet.”

Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Want de export van het wahabisme is sinds de jaren zestig de kern van het Saoedische buitenlandbeleid. Het was het tijdperk van de dekolonisatie, de Koude Oorlog en seculiere onafhankelijkheidsbewegingen in het Midden-Oosten. De spil hierin was de Egyptische president Nasser, die een pan-Arabisch nationalisme propageerde en zich lieerde met de ‘goddeloze’ Sovjet-Unie. De Saoedische koning Faisal zag hierin een existentiële bedreiging, waar hij het wahabisme tegenoverstelde.

In een toespraak tijdens de pelgrimstocht naar Mekka in 1968 verklaarde Faisal: „We willen een islamitische wedergeboorte zonder nationalisme, etniciteit en politieke partijen, maar met de roep van de islam en de roep van de jihad om ons geloof te verdedigen.”

Aartsvader van het jihadisme

Vanwege de repressie in Egypte en andere Arabische landen waar seculieren de macht hadden gegrepen, vluchtten duizenden aanhangers van de Moslimbroederschap naar Saoedi-Arabië. Het waren veelal intellectuelen en andere goed opgeleide mensen, aan wie groot gebrek was in het koninkrijk. Ze gingen aan het werk in het nieuwe onderwijssysteem, waar ze een vruchtbare bodem vonden voor hun radicale ideeën. Talloze geestelijken en jongeren werden door hen beïnvloed.

Twee mannen speelden een sleutelrol. De eerste was Mohammed Qutb, broer van Sayyid Qutb, de in 1962 opgehangen ideoloog van de Moslimbroederschap in Egypte. Qutb werd docent aan de Islamitische Universiteit in de Saoedische stad Jeddah. Van daaruit verspreidde hij de ideeën van zijn broer. De andere cruciale figuur was Mohammed Surur, prominent lid van de Syrische Moslimbroederschap. Zijn anti-shi’itische boek Het Tijdperk van de Magiërs is Gekomen, waarin hij waarschuwt dat de Islamitische Revolutie de aanzet vormt voor Iraanse hegemonie, groeide uit tot een bestseller. Het werd later uitgebreid geciteerd door Ayman Zawahiri, de huidige leider van Al-Qaeda.

De Moslimbroeders speelden een belangrijke rol bij de verspreiding van het wahabisme. Ze waren betrokken bij de oprichting van de Muslim World League, een organisatie die via welzijnswerk, de verspreiding van boeken en pamfletten, de bouw van scholen, universiteiten en moskeeën, de opleiding van imams en het verstrekken van studiebeurzen het ware geloof moest verspreiden. Dankzij de snel stijgende olieprijs kon Saoedi-Arabië jaarlijks 5 procent van zijn bbp uitgeven aan zijn ideologische zendingswerk.

Medina versus Kairo

Faisal investeerde ook veel geld en prestige in de Islamitische Universiteit van Medina, die in 1961 werd opgericht als tegenwicht voor Al-Azhar in Kairo, eeuwenlang het intellectuele hart van de sunnitische islam. Vanwege het wahabisme, dat veel andere sunnieten afwijzen, was de theologische invloed van de Saoedische universiteit beperkt. Maar dankzij oliedollars werd Al-Azhar toch voorbijgestreefd. Van over de hele wereld werden topdocenten aangetrokken. En dankzij het ruimhartig uitdelen van studiebeurzen zijn inmiddels zo’n 45.000 mensen uit 160 landen in Medina afgestudeerd.

Niet alleen de rivaliteit met Egypte wakkerde de Saoedische zendingsdrang aan. In 1979 vonden drie ingrijpende gebeurtenissen plaats die de legitimiteit van het Saoedische koningshuis als leider van de moslimwereld op de proef stelden: de Islamitische revolutie in Iran, de bezetting van de Grote Moskee in Mekka door moslimextremisten, en de Sovjet-invasie van Afghanistan. Het was een drievoudige aansporing voor Saoedi-Arabië de export van het wahabisme verder op te voeren.

Duizelingwekkend

De invloed van al dit zendingswerk is moeilijk te meten. Maar de aantallen zijn duizelingwekkend. Saoedi-Arabië heeft sinds de jaren zestig wereldwijd duizenden scholen en moskeeën gefinancierd, honderden hogescholen en islamitische cultuurcentra gebouwd, en honderden miljoenen korans in tientallen talen verspreid. De World Assembly of Muslim Youth heeft afdelingen in 56 landen, die cursussen en projecten voor jongeren organiseren. De Islamitische Hulporganisatie IIRO, die humanitaire hulp combineert met zendingswerk, is actief in ruim 80 landen.

Soms werden die wahabitische organisaties aangewend om jihadistische activiteiten te ontplooien. Zo gebruikte Mohammed Jamal Khalifa, een Saoedische zakenman die trouwde met een zus van Osama bin Laden, het filiaal van de IIRO op de Filippijnen om de terreurorganisatie Abu Sayyef te ondersteunen.

En de stichting Al-Haramain, onderdeel van de Muslim World League, gaf volgens de Verenigde Naties steun aan Al-Qaeda. Daarom werden de afdelingen in Afghanistan, Albanië, Bangladesh en Ethiopië op de sanctielijst van de VN gezet.

Volgens Saoedi-Arabië vormt niet het wahabisme de inspiratiebron voor jihadisme, maar Moslimbroeders als Sayyid Qutb met hun politieke ideeën. Het wahabisme gaat namelijk uit van strikte gehoorzaamheid aan de heerser, die als enige kan bepalen wanneer het oorlog is. De jihad is bedoeld om een moslimland te verdedigen tegen een buitenlandse invasie, niet om een revolutie te ontketenen. Want dan ontstaat er fitna: chaos en tweespalt in de samenleving. Kijk maar naar Libië, Syrië en Irak, zeggen de Saoediërs.

Toch biedt het wahabisme wel degelijk aanknopingspunten voor de revolutionaire jihad zegt Joas Wagemakers, islamoloog van de Universiteit Utrecht. „Wahabieten moeten zich aan strikte leefregels houden, maar hun leiders schenden die regels voortdurend. Neem het voorschrift dat wahabieten zoveel mogelijk afstand moeten houden tot ongelovigen. „En dan nodigt de koning honderdduizenden Amerikaanse militairen uit. Maar daar mogen ze niets van zeggen. Zulke hypocrisie is een belangrijke oorzaak voor radicalisering”, aldus Wagemakers.

Islamitisch zomerkamp

Of neem de Sovjet-invasie van Afghanistan. De koning moedigde jongeren aan om deel te nemen aan de jihad tegen de bezetters, die werd aangeprezen als een soort islamitisch zomerkamp. „Spelen met vuur”, zegt Wagemakers. Want na de oorlog reisden veel buitenlandse strijders door naar andere conflicthaarden, zoals Tsjetsjenië, Algerije en Bosnië.

Of ze keerden geradicaliseerd terug naar hun thuisland, waar ze de wapens opnamen tegen hun leiders. Een van hen was de Saoediër Osama bin Laden. Hij kwam in conflict met de Saoedische monarchie omdat die tijdens de Golfoorlog tegen zijn advies Amerikaanse troepen had uitgenodigd op haar grondgebied. Kruisvaarders in het land van de heilige steden Mekka en Medina, daar gruwde hij van.

In de Syrische burgeroorlog speelt Saoedi-Arabië eveneens een dubbelzinnige rol. Aanvankelijk werden Saoedische burgers aangemoedigd om zich aan te sluiten bij de jihad tegen het Syrische regime, een belangrijke bondgenoot van aartsrivaal Iran. „Als je Iran een tik kunt geven, dan kun je zelfs de duivel gebruiken”, zegt Aarts.

Duizenden Saoediërs vertrokken naar Syrië. Maar toen de opstand radicaliseerde, begon het koningshuis te vrezen voor zijn eigen overleven. Want die Saoedische jihadisten zouden wellicht na terugkeer hun strijd voortzetten tegen hun eigen leiders. Daarom werd een een vergaande anti-terreurwet aangenomen. Burgers die in het buitenland gaan vechten kunnen nu drie tot 20 jaar celstraf krijgen.

Met zijn claim op een kalifaat vormt IS een bedreiging voor de legitimiteit van het koningshuis. Alle moslims moeten immers trouw zweren aan de kalief – een boodschap die fors wat Saoedische jongeren aanspreekt. De groep pleegt inmiddels ook aanslagen in Saoedi-Arabië zelf, aanvankelijk alleen tegen shi’ieten maar later ook tegen regeringsdoelen. IS noemt het koningshuis een verzameling „tirannen” die zich hebben verbonden met „hun kruisvaarders-meesters” in het Westen. De Saoediërs krijgen nog veel te stellen met hun tovenaarsleerling.