Een gebaksdoos vol modellen

Arian Brekveld maakte voor Royal Delft een serie gedecoreerde schalen. Deel 6 in een serie gesprekken met spraakmakende ontwerpers.

Arian Brekveld met zijn voor Royal Delft ontworpen Blue Collar Ribbowl (2015) en de Vik Lounge Chair (2013) voor Spectrum Meubelen.

Hoe zou u uw ontwerpstijl willen omschrijven?

„Soberheid en helderheid staan voorop. Van overdadige vormentaal word ik heel zenuwachtig. Mijn ontwerpen begrijp je als gebruiker meteen. En details zijn belangrijk. Een bijzonder stiksel kan zijn als een mooie ketting om een nek.”

Hoe is uw werkwijze?

„Schetsen doe ik nauwelijks; ik ben een makende ontwerper. Ik begin meteen met het bouwen van ruimtelijke modellen en prototypes. Al doende kom ik op ideeën, zie ik waar ik de schoonheid kan halen.

„Het Nederlandse meubelmerk Montis vroeg me onlangs een beklede hoge stoel te ontwerpen. Als ze me zeggen wat de winkelprijs mag worden, weet ik wat er technisch wel en niet mogelijk is. Voor die stoel heb ik een serie schaalmodellen gemaakt, verschillende karakters. Het fijne van ruimtelijke modellen is dat je meteen proporties ziet en de dynamiek van zo’n stoel.

„Modellen maak ik van flexibele materialen, zodat je er nog wat aan kan duwen en buigen, of ze met een schaartje kan bijknippen. Als je met zo’n gebaksdoos vol modellen bij de opdrachtgever komt, zit iedereen meteen op het puntje van zijn stoel. Dat heb je met ontwerptekeningen niet. Op basis van die modellen bespreken we welke richting het op moet gaan. Daarna maak ik een levensgroot, opnieuw enigszins flexibel prototype. Als het ontwerp uiteindelijk naar wens is, wordt het gescand. Pas vanaf dat moment komt de computer eraan te pas.”

Waaraan herken je een goed idee?

„Als ontwerpen me te veel moeite kosten, zijn ze meestal niet goed. Naast snelheid is ook mijn gemoedstoestand een indicatie. Ik kan heel vrolijk worden als ik op de goede lijn zit. Het gevoel of iets klopt, is een combinatie van intuïtie en ervaring. Continu kijk ik met een ontwerpersoog naar de dingen om me heen. Zie ik een stoel van iemand anders, dan probeer ik die in gedachten automatisch te verbeteren. Dan denk ik : ik zou die poten iets verder naar buiten zetten, en dat bochtje iets ronder maken.”

Heeft u dat van huis uit meegekregen?

„Ik kom uit een maakgezin. Mijn vader zat in de metaaltechniek. We hadden een schuur vol machines en gereedschap. Ik werd gestimuleerd om daarmee aan de slag te gaan, het kon niet gek genoeg zijn. Mijn moeder was altijd met schaar en stof in de weer. Toen ik als kind vliegers ging bouwen heb ik wat naaimachines van haar vernacheld.

„Mijn vaardigheid met gereedschappen heb ik dus van mijn vader. Het gevoel voor tactiliteit, voor zachte materialen, komt van mijn moeder. Die kennis, daar heb ik veel baat bij. Als professioneel ontwerper kun je niet te lang blijven dromen. Doordat ik vlot prototypes kan maken, kan ik snel naar de kern toe.”

Wie is een voorbeeld voor u?

Na lang nadenken: „Ik heb thuis flink wat ontwerpen van Jean Prouvé (de in 1984 overleden Franse meubel- en industrieelontwerper, red.). Hij combineerde op een logische manier verschillende materialen. Zijn meubels zijn ook van een jaloersmakende tijdloosheid. Dat hoop je als ontwerper: dat je ontwerpen een lange adem hebben en na tien jaar, eventueel met een andere stof of in een nieuwe kleur, nog actueel zijn.

„Dat de stoelen van Prouvé niet zo heel comfortabel zijn, dat neem ik voor lief. Ze bieden voldoende compensatie: ze zijn zo mooi en bijzonder dat je je er als gebruiker aan kunt hechten.”

Wat beschouwt u als uw beste ontwerp?

„De Soft Lamp die ik voor Droog heb gemaakt. Die lamp van pvc doet het al twintig jaar heel goed. De meubels die ik recent heb ontworpen moeten nog bewijzen of ze net zo tijdloos zijn.”

Wat verwacht u van een opdrachtgever?

„Een vriendschappelijke basis. Een puur zakelijk band, dat werkt bij mij niet zo goed. Ik werk als ontwerper alleen. Dat solo-optreden, het hele designproces van voor naar achter zelf invullen, daar heb ik lol in en dat is denk ik mijn sterke punt.

„Maar dan heb ik dus wel een opdrachtgever nodig die klankbord is. Ik ben ook geen ontwerper die ideeën op de plank heeft liggen waar ik een fabrikant bij zoek. Een ontwerp begint bij mij altijd met een gesprek.”

Wat zou u graag ontwerpen?

„Ik ben begonnen met het ontwerpen van kleine producten: lampen, vazen, serviezen, dingen voor in de keuken. De laatste jaren concentreer ik me vooral op meubels. Ik heb het gevoel dat daar nog heel veel valt te halen. Nee, ik vind niet dat er al stoelen genoeg zijn. Dat zeg je toch ook niet over kleding, fietsen of wat dan ook? Nieuwe, eigentijdse vormen ontdekken, voor mij is dat uitdagend genoeg.

„Voor een groot buitenlands bedrijf zou ik graag eens een kunststof stoel willen ontwerpen. Een stoel met een combinatie van gladde en zachte kunststof die op een industriële manier, liefst met één matrijs, wordt geproduceerd. Een lastige opdracht, dat besef ik. Maar ik heb het gevoel dat ik nog maar net ben begonnen. Het beste moet nog komen.”

Wat doet u over vijf jaar?

„Door mijn werkwijze opereer ik alleen en heb ik concentratie nodig. Nu woon en werk ik in de stad. Daar is veel ruis – openingen, feestjes enzovoorts. Over vijf jaar zou ik graag een grote werkplek net buiten de stad willen hebben. Mijn ideaal? Een grote studio met veel hokjes en met veel meer machines dan ik nu bezit. In elk hokje gebeurt wat en ligt een stoel of een ander ontwerp op de operatietafel.

„Ik zou ook graag buiten willen wonen. Nee, niet op het platteland, dat lijkt me een beetje eng. Maar wel een huis met een horizon.” Lachend: „Dit is hardop dromen, toch? Ik heb een gezin. Thuis moeten ze het ook leuk vinden.”