Een audiofiel hoort meer

Liefhebbers van high end audio geven tienduizenden euro’s uit aan elektronica voor hun gevoelige oren. Wat bezielt hen?

Illustratie Anne van Wieren

Na het indrukken van de aan/uit-knop duurt het dertig seconden. Eerst komen vier knoppen tevoorschijn uit de marmeren kast, dan schuiven de acht buizen van de versterker omhoog. Vervolgens klapt het deksel langzaam open. Pas dan kun je de Sennheiser Orpheus, een koptelefoon van 50.000 euro, op je oren zetten.

Met een halve ton op mijn hoofd sluit ik mijn ogen. Meteen vergeet ik het treurige industrieterrein in Almere waar Sennheiser de Orpheus laat bepotelen door mensen die deze koptelefoon nooit kunnen betalen.

Ik waan me in de studio waar Daft Punk en Nile Rodgers Get Lucky opnamen en hoor details die ik niet kende. In de concertzaal bij Beethovens Negende voel je de dirigent om je oren zwaaien. Bij Dr. Cheskey’s Binaural Album (opgenomen met een speciale 3D-microfoon in de vorm van een menselijke schedel) wandel ik een rondje om mijn eigen hoofd heen.

Dat is high-end audio voor mij: tijdreizen naar een andere plek, een ander moment. Opgaan in de akoestiek van een ruimte met een groep muzikanten. De individuele stemmen in een koor, het kraken van de kruk van een pianist, de slag op de djembé die je diep in je binnenste raakt. Even weg uit Hier en Nu, naar Toen en Daar.

50.000 euro is in de audiofiele wereld geen absurd prijskaartje. Wat dacht je van een versterker van 200.000 euro of een platenspeler met luchtvering à 130.000 euro. Ik loop net binnen bij een audiozaak in Hilversum als daar twee dozen met speakerkabels bezorgd worden. Setprijs: 100.000 euro. Er is al een koper voor, een liefhebber met een audio-installatie van een half miljoen.

Door dit soort bedragen beschouwde ik high-end audio lang als onbereikbaar. Totdat Neil Young vorig jaar de Pono-player uitbracht: een kleine muziekspeler die digitale bestanden in hoge resolutie afspeelt. Driehonderd euro, daar kun je je geen buil aan vallen. Daar hoorde wel een goede koptelefoon bij – het werd er eentje van zeshonderd euro. Trots liet ik het resultaat horen aan een bevriende dirigent, die ontroerd was omdat hij het orkest hoorde zoals hij het in de concertzaal hoort. Dat eerste stapje in de high-end wereld vroeg om meer. Ik testte Sony’s high end walkman (meer dan 1.000 euro) met een bijbehorende koptelefoonversterker. Zo’n goede koptelefoon is aardig. Maar alleen met een versterker en luidsprekers kun je muziek ook fysiek ervaren. Lekker de broekspijpen laten wapperen.

Studie en sparen

Waar moet je op letten? Alle apparatuur ziet er fantastisch uit, de folders glimmen nog harder. Onbekende merken met onbegrijpelijke technologie en materialen waar ik nog nooit van gehoord heb. Dat vergt studie. En sparen.

Bemoedigend: die grote bedragen zijn vaak onzin, zeggen kenners. Je kunt voor 5.000 of voor 10.000 euro ook al een prachtige installatie samenstellen. Zolang je de prijzen niet vergelijkt met consumentenelektronica. Want je vergelijkt een spiegelreflex van Hasselblad toch ook niet met de camera van een smartphone?

De audiofiel grossiert in hifi-wijsheden. Vinyl biedt meer leven dan digitaal. Fysieke media zijn beter dan audiostreams. Hoge bitrates zeggen niets. Ongewenste trillingen zijn dodelijk. Het draait om de keten. En kabels zijn een component op zich. Met andere woorden: je hebt niets aan dure spullen als er één zwakke schakel tussen zit. Elk onderdeel moet er op gericht zijn om zweving, verschuiving, vervuiling, resonantie en vibratie tegen te gaan.

Uiteindelijk is er maar één doel: het weergeven van de werkelijkheid. „Zie het als een schilderij dat je stukje bij beetje schoonmaakt”, zegt een liefhebber. Het is niet leuk om in één keer de perfecte spullen te kopen. Dit is een reis die je aflegt. Zoals liefhebbers van klassieke auto’s jaren besteden aan het opknappen en dan tot hun schrik erachter komen dat-ie af is.

Perfectie is niet haalbaar, zegt een ervaren hifi-tester: „De uitdaging is juist om met verschillende componenten precies die balans van goede eigenschappen in het geluid te vinden die jou het meeste raakt.”

Naar welke muziek moet je luisteren? Ik kies graag albums die ik al ken, om details te ervaren die ik nog niet hoorde. En ik luister opeens verdacht veel naar jazz en klassiek.

„Ik ben een smaakverbreder”, zegt de high-end audioverkoper: de meeste moderne muziek is opgenomen en gemixt voor radioweergave, met zoveel nabewerking dat de Ware Belevenis ontbreekt. Om je echt te kunnen verplaatsen in de muziek moet de opname zo puur en eerlijk mogelijk zijn. Geen equalizers of compressie maar de volledige dynamiek vastleggen.

Hij doceert: „de echte liefhebber reserveert een aparte audioruimte in huis. Plaatsing is alles: zorg ervoor dat de luidsprekers vrij staan van de wanden, zodat er geen hinderlijke reflecties optreden. Trek een kabel rechtstreeks uit de meterkast voor ‘schone stroom’ en gebruik daarvoor vuistdikke kabels. Hoor je het verschil?” Ehhh…

Er wordt vaak onzin verkocht in deze branche. Een elektronica-expert legt uit dat je vervuilde stroom alleen ‘hoort’ in de vorm van storingen – als ze al voorkomen. Niet in ‘strakker laag’ of ‘transparanter hoog’.

Denk aan het sprookje van de kleren van de keizer. Er bestaat onder audiofielen veel gêne om te zeggen dat je het verschil niet hoort tussen een platenspeler van 5.000 of 50.000 euro. Of dat je niet in de gaten hebt dat kabels eerst een paar weken moeten inspelen. Blijkbaar moet je dan je oren laten nakijken. Daarom horen we wat we willen horen: psycho-akoestiek.

Mannenhobby

Zijn het muziekliefhebbers of geluidsfetisjisten, die audiofielen? In de hifi-zaak wandelen veel vijftigers rond als een kind in een snoepwinkel. The difference between men and boys is the price of their toys. Want dit is een hobby die vooral door mannen wordt beoefend. „Vrouwen vragen of het alsjeblieft zachter mag, mannen vragen: mag-ie harder”, aldus een hifi-veteraan. Dat is herkenbaar. Mijn eega hoort niet dat de linkerspeaker in de auto af en toe uitvalt. Ik zet de auto subiet aan de kant om de radio te repareren. Ziekelijk, ik weet het.

Vooral mannen dus. Met een technische tik, die terugverlangen naar het gevoel van vroeger, toen ze samen met vrienden op hun zolderkamertje naar muziek luisterden. Mannen die praten over wat klanken bij hen los maken. En dan blijken ze, ondanks al die technische kennis en dure hobby, verrassend kwetsbaar.

Je vindt ze in alle lagen van de bevolking. Niet alleen miljonairs – zeker niet. Er zijn ook audiofielen die in een appartementje drie hoog achter wonen. Gewoon, iemand die liever anderhalve ton steekt in een hifi-installatie dan in een groot huis of een dure auto. 150.000 euro voor je eigen teletijdmachine: dat is toch geen geld?