Cichliden groeven ook hun eigen graf

Cichliden werden niet alleen opgegeten door de nijlbaars, ze verloren ook de slag om prooien.

Foto African Cichlid Hub

Het verdwijnen van cichliden Victoriameer was altijd een drama met een duidelijke dader. Nog niet zo lang geleden leefden er honderden cichlidesoorten in het Oost-Afrikaanse meer. Maar in de jaren 50 zetten Britse hier de vraatzuchtige nijlbaars uitzetten. De roofvis richtte een slachting aan onder de cichliden: in de afgelopen 35 jaar stierf veertig procent van de soorten uit. Opgeslokt.

Maar dat is maar het halve verhaal. In een nieuw onderzoek suggereert een Zwitsers-Amerikaans team van biologen dat sommige cichliden op een dood spoor zaten, evolutionair gezien (Science, 26 november). De kaken van visetende cichliden zitten zo in elkaar dat ze nooit grote vissen konden doorslikken. Deze cichliden zijn niet door de nijlbaars verzwolgen, maar verloren de competitie met deze efficiëntere jager en stierven uit.

Het Victoriameer is een broedplaats van de evolutie. In dit jonge meer ontstond binnen korte tijd een rijke soortenzwerm. Biologen telden meer dan 500 soorten. Elke levenswijzen was vertegenwoordigd: er leefden schubbeneters, slakkenkrakers, modderhappers, kindereters, algenslurpers, bladhakkers en viseters.

Genetici schatten dat die enorme soortenrijkdom binnen 400.000 tot 100.000 jaar ontstond. Evolutiebiologen vinden dat snel. Soorten ontstaan normaal gesproken op een slakkengangetje.

De snelle evolutie van cichliden werd mede mogelijk gemaakt door een bijzondere aanpassing in de achterste kaken. Net als andere beenvissen hebben cichliden een tweede set kaken achter in hun keel die helpen bij het inslikken van voedsel en het vangen van prooien. Maar bij veel cichliden in het Victoriameer zijn die kaken omgevormd tot kauwkaken: ze kregen sterke spieren en tanden als molenstenen. Daarmee konden ze harde schelpen, taaie planten en schaaldieren kraken. Het is mede dankzij deze innovatie, dachten evolutiebiologen, dat in zoveel soorten uit konden waaieren.

Maar de Zwitsers en Amerikanen laten nu zien dat deze aanpassing een keerzijde heeft: het kauwapparaat neemt zo veel ruimte in dat de omvang van de keelholte beperkt is. Een cichlide kan zijn bek maar half zo wijd opensperren als een nijlbaars van gelijke grootte. Dat betekent in de eerste plaats dat een cichlide genoegen moet nemen met kleinere prooien. Bovendien doet een cichlide er langer over om een prooi te verwerken: cichlide worstelen minuten of zelfs uren met een prooi in hun keel, terwijl een nijlbaars diezelfde prooi al binnen een paar seconden heeft doorgeslikt.

Een visetende cichlide kan daardoor nooit zo’n efficiënte roofvis zijn als een vis zónder zulke keelkaken, schrijven de biologen. Ze laten zien dat toen de nijlbaars in het meer werd uitgezet, de grootste visetende cichliden als eerste verdwenen. Sommige hadden kaken groter dan de nijlbaars, maar verloren toch de concurrentiestrijd.

De cichliden uit het Victoriameer zijn niet de enige keelkauwers: ook lipvissen, koraaljuffers en vliegende vissen kraken hard voedsel met de kaken in hun keel. Uit zulke groepen van kauwende evolueren bijna nooit roofvissen, laten de Zwitsers en Amerikanen zien. In het Victoriameer ontstonden wél grote viseters omdat ze geen concurrentie hebben.

In het Tanganyika-meer leven cichliden al miljoenen jaren samen met nijlbaarzen. Daar zijn wel visetende cichliden ontstaan, maar veel kleiner dan de uitgestorven roofcichliden uit het Victoriameer. De overgebleven Victoria-soorten lijken op de visetende soorten uit het Tanganyika-meer, schrijven de biologen.

Evolutie is blind, schrijft evolutiebioloog Geerat Vermeij in een begeleidend commentaar. Natuurlijke selectie kan niet voorzien dat een nuttige specialisatie op korte termijn op de lange termijn wel eens desastreus kan uitpakken. In dat opzicht zijn de keelkrakende cichliden uit het Victoriameer als panda’s: ooit goed aangepast, maar inmiddels overgespecialiseerd en door een nieuwe werkelijkheid ingehaald.