Column

Als justitie in Wenen de grenzen niet sluit – ook niet voor Wilders

Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen? Deze week: Geert Wilders en het tweede strafrechtelijke onderzoek tegen hem – in Oostenrijk. Ofwel: wat er gebeurt als ook culturele grenzen op slot gaan.

Illustratie Ruben L. Oppenheimer

Het jaar van ‘opvang in de regio’ en ‘grenzen dicht’ gaat zijn laatste maand in, dus laten we even kijken waar dit ons gebracht heeft.

Boeiend vond ik vooral de nationale zelfoverschatting over dat ‘opvang in de regio’. Deze week ook weer. Talrijke partijen pleitten hier jarenlang voor. Toch was bijna geen Haagse politicus gelukkig toen de EU met Turkije afsprak dat Syrische vluchtelingen daadwerkelijk in de eigen regio opgevangen worden.

Ik hoorde allerlei bezwaren, en ik zal niet zeggen dat het allemaal onzin was. Turkije sluit verontrustend veel mensen zonder proces op. Erdogan heeft alles van een autocraat. En de vraag is of hij wel kan beletten dat Syrische vluchtelingen doorreizen naar West-Europa.

Dus om Turkije dan 3 miljard euro en hernieuwde gesprekken over een EU-lidmaatschap te beloven, oogde contra-intuïtief. Maar was er een alternatief?

En interessanter: tegenstanders van deze deal waren er blijkbaar van uitgegaan dat je in Den Haag even kunt bepalen wanneer en onder welke omstandigheden zo’n land aan opvang in de regio doet. Je zegt het in de Kamer en in die regio, ver weg, luisteren ze nog ook. Paar tenten kopen – klaar.

En toen ineens bleek dat opvang in de regio óók betekent dat je opvattingen in zo’n regio serieus moet nemen, zaten de jarenlange pleitbezorgers van deze aanpak ineens vol bezwaren.

Het symboliseerde, vrees ik, het centrale misverstand in de nationale benadering van het vluchtelingenprobleem: boven het debat zweeft hier voortdurend de illusie dat wij de wereld onze normen en waarden op kunnen leggen. Ook als – detail – de wereld daar zelf anders over denkt.

Verwacht niet dat dit denken snel verdwijnt. Het was geen toeval dat Dijsselbloem vorige week op een mini-Schengen hintte. En dat deze week rondging dat Griekenland de komende maanden wel eens uit de Schengenzone kan worden gegooid.

In Rutte II redeneert men nu dat de Turkse deal een begin met opvang in de regio vormt, en dat solide grensbewaking van de EU de volgende stap wordt. Geen Griekse gaten meer. En als de Grieken dat niet lukt, moet de Schengenzone maar zonder Griekenland verder.

Het laat zien dat de coalitietop, zonder dit zo te zeggen, concludeert dat Wilders het vluchtelingendebat met vlag en wimpel gewonnen heeft. Inmiddels staan de zes grotere partijen na de PVV in de peilingen zo’n beetje allemaal op D66-niveau – tussen de vijftien en 25 zetels. En nu Wilders daar ver bovenuit torent, moet de coalitietop van zichzelf laten zien dat de vluchtelingencrisis wel degelijk onder controle te krijgen is.

Niet onlogisch: niemand kan het grote nationale ongenoegen negeren. Al is de ironie niet gering: ook Wilders zelf weet maar al te goed dat zijn succesconcept, ‘grenzen dicht’, vrij lastig uitvoerbaar is – in letterlijke en overdrachtelijke zin.

Zo legde het Algemeen Dagblad hem 31 oktober wat koele vragen voor. Hoe gaat u dat doen, zei de krant, de 1.027 kilometer Nederlandse grens sluiten? „,Met het leger, met de marechaussees”, zei Wilders. Prikkeldraad? „Ik wil geen muur om Nederland”, zei Wilders, „maar we zullen wel serieus moeten patrouilleren.”

Hier hebt u het: zelfs bij Wilders zouden die grenzen nooit dichtgaan. Niet eens een muur, alleen extra patrouilleren: als dat ‘grenzen dicht’ moet heten, is Ali B. de broer van Martin Bosma.

Dit is het probleem van dit debat, al het hele jaar: het wordt gevoerd over een overdrijving (‘grenzen dicht’) die slechts de illusie van nationale regie schept. De grenzen kunnen niet dicht. Niet fysiek – maar óók niet cultureel en mentaal.

De beste illustratie is hier opnieuw Wilders zelf, en de toespraak die hij dit voorjaar, 27 maart, in Wenen hield. Hij was te gast bij zusterpartij FPÖ en noemde de islam er een „ideologie van oorlog en haat”. Hij zei ook – deze woorden even onthouden: „De islam roept de mensen op tot geweld, de islam roept de mensen op tot terreur.”

Voor Nederlanders niet verrassend – maar in Oostenrijk ligt dit iets anders. En het interessante was: Wilders had het niet eens door.

Hij hield zijn Weense speech één jaar en acht dagen na zijn ‘minder minder’-uitspraken in Den Haag, waarvoor hij op dat moment al vervolgd werd. Die Nederlandse strafzaak dient naar verwachting volgend jaar – en in de PVV is het geen geheim dat hij er alles, echt alles, aan doet veroordeling te voorkomen.

Dus het viel hem rauw op het dak dat vier dagen na de Weense speech, 31 maart, ook de Oostenrijkse justitie op hem werd geattendeerd: de Syrische Oostenrijker Tarafa Baghajati, voorman van de moslimorganisatie IMÖ, deed aangifte.

Volgens de letterlijke tekst daarvan, die ik kreeg toegespeeld, werd Wilders daarin onder meer ‘Verhetzung’ verweten. Een lastig vertaalbaar begrip dat dichtbij opruiing zit, maar ook aspecten van haat zaaien en discriminatie in zich draagt. Ook

een beladen begrip: een Oostenrijkse manier om, tegen de achtergrond van het eigen oorlogsverleden, rechts-extremistische uitingen te onderdrukken.

De Weense aanklager Leopold Bien nam drie maanden voor bestudering van de aangifte. Hij schreef 17 juli (parketnum-mer ‘703 St 30/15v-1) dat hij een „gerechtelijk vooronderzoek tegen Geert Wilders zal beginnen op verdenking van Verhetzung’’.

Wilders reageerde karakteristiek: wat denken die lui wel? „Veel gekker moet het niet worden”, twitterde hij. Intussen loopt het onderzoek nog steeds: de Weense persofficier van justitie Christina Ratz liet me deze week weten dat nog geen vervolgingsbeslissing is genomen. Wilders’ Nederlandse advocaat Geert Jan Knoops zei niets over de zaak te weten. De uitkomst is dus niet te voorzien.

Maar toen ik de feiten en omstandigheden van de zaak met Oostenrijkse en Nederlandse (ervaring)deskundigen deelde, merkte ik hoe diep de kloof tussen beide landen op dit gebied is. Potdichte culturele grenzen – met alle misverstanden van dien.

Zo sprak ik telefonisch met Susanne Winter, een rechts-nationalistische Oostenrijke parlementariër (ex-FPÖ) die me uitlegde waarom ze in 2009 werd veroordeeld (drie maanden voorwaardelijk, 24.000 euro boete) wegens Verhetzung. Ze had gesproken van „een moslimtsunami” en gezegd dat ze „de islam wil terugdringen tot waar hij vandaan komt: naar de andere kant van de Middellandse Zee”.

„De rechter”, schamperde Winter tegen me, „oordeelde dat ik met ‘tsunami’ de islam in verband bracht met dood en angst.” En met de opmerking over terugdringen naar gene zijde van de Middellandse Zee was ze „oorlogszuchtig” geweest. Ze ging tot de hoogste instantie in beroep. „Hielp niets.”

Wilders vond ze geweldig, en ze zou het volslagen idioot vinden als hij in Oostenrijk veroordeeld wordt. Maar ze wees me er ook op dat justitie het Verhetzungs-artikel steeds strikter naleeft.

Een waarneming die een Oostenrijkse magistraat, die anoniem wil blijven, en de Tilburgse emeritus hoogleraar Anton van Kalmthout, specialist internationale rechtsvergelijking, desgevraagd ook deden: vanaf 1 januari, besloot het Oostenrijke parlement dit jaar, worden de mogelijkheden voor veroordeling wegens Verhetzung zelfs verruimd.

Susanne Winter zei dat je nu al kunt merken dat justitie scherper optreedt. Zo werd vorige maand een Pegida-woordvoerder, de Duitser Redner Stürzenberger, wegens Verhetzung veroordeeld (vier maanden voorwaardelijk, 960 euro boete) omdat hij „elke moslim een potentiële terrorist” noemde.

Vergelijk dit met Wilders’ uitspraak („de islam roept de mensen op tot terreur”) en zie welk serieus risico de PVV-leider in Wenen nam.

Zowel de Oostenrijkse magistraat als Van Kalmthout zei te verwachten dat hij vervolgd wordt. „Ik voorzie een veroordeling”, zei Van Kalmthout, met een slag om de arm. „Strafzaken zijn nooit helemaal voorspelbaar.”

Fascinerend is het hoe dan ook. Uitgerekend de man die Den Haag dit jaar met dat ‘grenzen dicht’ naar zijn hand zette, liep aan tegen het grootste misverstand van het nationale vluchtelingendebat: dat de nationale normen en waarden nog de enige normen en waarden zouden zijn waarmee Nederlanders iets te maken hebben.