Alleen zwakke mensen klampen zich vast

, oud-hoofdredacteur van Het Parool, werd journalist omdat hij niet mocht studeren. „Ik zeg: leef je leven een beetje leuk. Kijk rond. Schrijf boeken.”

H

et leek hem leuk om zich door zijn voormalige stagiaire „aan de tand te laten voelen”. Zijn nieuwste boek was bijna af, schreef hij eind deze zomer. Tijd voor een lunchgesprek. Dat had ik hem – twee jaar geleden – toch beloofd?

Hij is Sytze van der Zee (76), oud-hoofdredacteur van dagblad Het Parool. En die stagiaire, dat was ik. Hij schreef een biografie over François van ’t Sant, vertrouwensman van koningin Wilhelmina, de man die schandalen (chantage, buitenechtelijke kinderen, affaires) glad moest strijken. Niet echt een onderwerp voor de bijlage, sputterde ik nog tegen.

Daar dreigde het al mis te gaan. „Beetje lullig”, riposteerde hij. „Het lunchgesprek gaat toch altijd meer over de maker dan over het gemaakte.” Om in aanmerking te komen voor „deze rubriek” had hij dus net zo goed „een handboek over het onderhoud van verwarmingsketels” kunnen schrijven. Als ik er geen trek in had, kon ik dat ook gewoon tegen hem zeggen.

Bij arbeidsverhoudingen werkt het blijkbaar net als in een gezin: hoe oud je ook bent of hoe lang het samenzijn ook geleden is, zodra je elkaar weer ontmoet, vervalt ieder in zijn oude rol. En dan vergeet je zomaar dat iemand geen baas meer is, maar een schrijver die een boek publiceert, zijn eerste biografie, en die ook maar moet afwachten wat anderen ervan zullen vinden.

Eind november zaten we bij café Scheltema in Amsterdam. Ooit door NRC-journalist Henk Hofland omschreven als „hoofdkwartier van de bohème [...], van kunstenaars, schrijvers en ook journalisten”. De grote krantenredacties zaten er vroeger om de hoek, Algemeen Handelsblad, De Telegraaf, Trouw. En de grote krantenjournalisten zaten er aan het bier. Ja, Sytze van der Zee ook. Hij wijst naar de grote tafel achter ons. „Daar zat je te lunchen. En dan kwam die, en die. En dan kwam er pils.” De krantenredacties zijn of opgeheven of verhuisd naar de rand van de stad. Maar het café is net zo bruin als toen en de erwtensoep is nog zelfgemaakt. De eigenaar (zoon van de oorspronkelijke uitbater) voorziet ons van aanvullende historische informatie bij elke bestelling die hij komt opnemen.

Sytze van der Zee is gebruind teruggekomen van een korte vakantie op een Kaapverdisch eiland, en met een manke voet. „De orthopeed zegt dat ik te fanatiek ben. Vier keer per week joggen is te veel op mijn leeftijd.” Hij is nu weer aan het opbouwen. Honderd meter rennen, honderd meter wandelen. En om de twee dagen, in plaats van om de dag.

Verder is hij meer dan tevreden. Harer Majesteits loyaalste onderdaan, zijn biografie over Van ’t Sant, haalde alle kranten, televisiejournaals en actualiteitenrubrieken. „Een klapper”, zegt hij. „De boekcover was vier, vijf seconden in beeld bij het NOS-journaal. Beter kan niet.” Sytze van der Zee onthulde dat de bekendste Nederlandse verzetsheld, Soldaat van Oranje Erik Hazelhoff Roelfzema, een staatsgreep beraamde. In april 1947 moest het kabinet met geweld worden afgezet, de voorman van regeringspartij PvdA geliquideerd, en oorlogspremier Pieter Sjoerds Gerbrandy zou de nieuwe leider worden.

Inlichtingenman

Academici hebben boeken vol geschreven over die naoorlogse periode. Er zijn dikke biografieën verschenen van Wilhelmina, Gerbrandy, Hazelhoff Roelfzema. En dan passeert Van der Zee, wetenschapper noch historicus, iedereen rechts en komt met dit nieuws. Hoe fijn is dat? Heel fijn, knikt hij. En hoe kwam hij aan het nieuws? „Van ’t Sant heb ik altijd een mysterieus figuur gevonden. Een sfinx. Hij was een echte inlichtingenman, dus droeg hij zijn dochter op na zijn dood al zijn documenten te vernietigen. Voor historici is de lol er dan af. Historici zijn huiskamergeleerden die hun informatie onttrekken aan papier. Een journalist moet het hebben van praten. Wij zijn sociaal, we peuteren informatie los bij mensen.”

Hij ging op bezoek bij een kleinzoon van Van ’t Sant. Een uroloog in Zaanstad. „Op zolder had hij een koffertje liggen met documenten die toch waren bewaard. Mondjesmaat kreeg ik er iets uit te zien.” Dé brief over de voorgenomen couppoging zag hij vorig najaar voor het eerst. „Ik mocht hem alleen lezen. Geen kopie, geen aantekeningen maken.”

Cees Fasseur, de biograaf van Wilhelmina en Gerbrandy, was óók bij die kleinzoon thuis geweest. Eén keer. Maar? „Hij had die brief niet gekregen.” Want? Mocht die kleinzoon hem niet? Er was, zegt Van der Zee, een spanningsveld. „Hij zei dat Fasseur Van ’t Sant in een van zijn boeken dom had genoemd.” En waarom kreeg Van der Zee die brief wel? „Pas in april, mei van dit jaar kreeg ik een kopie.” Ja, maar waarom? „Kwestie van vertrouwen.” Verder geen kwaad woord over Fasseur. „Hij was mijn meelezer en heeft me fantastisch geholpen.” Maar Fasseur zal toch gebaald hebben? Korte flikkering in de ijsblauwe ogen van Sytze van der Zee: „Voor ik begon zei hij tegen me: je moet geen boek over die man schrijven, maar een mooie musical.”

Als ik goed tel, heeft hij sinds hij weg is bij Het Parool (in 1996) een stuk of tien boeken geschreven. Om de twee jaar één. Over onderduikers, seriemoordenaars, vliegtuigfabrikant Fokker, en over pijn. „Maar nog nooit een biografie.” Aha, hij heeft een bucketlist. „Nee, dat realiseerde ik me gaandeweg het schrijven.” Maar wat ik eigenlijk wou vragen: na het hoofdredacteurschap heeft hij nooit meer een vaste betrekking gehad... „Ik was 57. Ik was leeg. Zeker de laatste anderhalf jaar bij de krant heb ik me stuk gevochten.” Daar schreef hij ook een boek over, De overkant, over hoe hij de krant tegen bezuinigingen, reorganisaties en smerige streken moest verdedigen.

Hij werd de beul genoemd, zeg ik. Vermaard om zijn korzelige kortafheid. Daar kijkt hij van op. „Ik was juist heel... relaxed eigenlijk. De top van de journalistiek had ik al bereikt. Ik hoefde niks meer te bewijzen.” Voor hij bij Het Parool kwam, was hij twintig jaar correspondent in Bonn, Brussel en Washington voor NRC Handelsblad. „Toen ik leerling-journalist was zeiden ze al: jij wordt ooit hoofdredacteur. Dat hoefde voor mij niet. Ik wilde groots en meeslepend leven. Correspondent worden was mijn droom.”

NSB-kinderen

Hij is de jongste van drie jongens, de zoon van wie niemand iets verwachtte, zegt hij. „Moeilijk jochie, lastige puber, lui, slecht op school.” Zijn vader was NSB’er. „Ik was een beschadigd kind. Gewend erop los te slaan. Niet bang te zijn.” Snel boos? „Je kunt het ook weerbaar noemen.” Over zijn jeugd schreef hij ook een boek, Potgieterlaan 7. „Ik ben nog wel eens benaderd door die organisatie voor NSB-kinderen. Herkenning. Eén keer heb ik een praatje voor ze gehouden, maar ik ben er nooit lid van geworden.” Studeren mocht hij, in tegenstelling tot zijn broers en zusje, niet. „Vond mijn vader zonde van het geld.” Dus werd hij ook maar journalist, net als zijn oudere broer Henri. Die werkte bij De Telegraaf. Gaf dat geen gedoe, twee broers bij twee concurrerende kranten? „Mwa.” Vond zijn broer het lastig dat het lastige broertje het wel schopte tot hoofdredacteur? „Dat wel.”

Maar goed, herneem ik, na Het Parool... „.. nam ik me twee dingen voor. Geen vaste baan meer. En ik wilde boeken schrijven.” Tot een paar jaar geleden deed hij er ook nog wat advieswerk bij. Voor de KLM, de Staatscourant, de Universiteit van Amsterdam. „De eerste tijd zat ik me vreselijk op te winden. Ik had een plan, dat ontvouwde ik. En dan deden ze niet wat ik zei. Tot ik me realiseerde: ik word betaald voor mijn advies, of ze er nou wat mee doen of niet.” Hij hoefde niet meer te winnen? „Ja, ja. Precies.”

De cafékat zet haar voorpootjes in de rug van de café-eigenaar – die leunt met één bil op de leestafel – en legt haar kopje in zijn hals. „Kijk, kijk”, zegt Van der Zee. „Die wil eten of aandacht.” Wat wil híj?, vraag ik. Waarom schrijft hij alsof de dood hem op de hielen zit? „Dood is dood”, zegt hij. „Dat wist ik al toen ik vier was. Geen geloof helpt ertegen. Alleen zwakke mensen klampen zich aan iets vast. Ik zeg: leef je leven een beetje leuk. Kijk rond. Schrijf boeken.”

Als de erwtensoep op is (plus één glas rode wijn) vraag ik of hij nog koffie wil. „Nee, nee. Thee.” O ja, zijn maag, herinner ik me hardop. „Hoe weet jij dat?” Zijn boek, help ik. Pijn. Hij schreef het nadat hij op het nippertje een maagperforatie had overleefd. Dat was in 2005. „Ik voelde me doodziek. Maar echt pijn, nee, dat had ik niet. Ik ben gaan uitzoeken hoe dat eigenlijk zit met pijn. Wat bleek, mijn pijntolerantie is heel hoog.” Vandaar ook dat hij zo lang kon blijven rennen met een voet die al overbelast was. Maagzuurremmers, zegt hij dan. Pardon? „Elke man boven de 55 die rookt en whisky drinkt, zou maagzuurremmers moeten slikken. Ze krijgen anders allemaal slokdarmkanker.” Hoeveel mannen ‘uit het vak’ zijn er niet aan gestorven? Joop van Tijn (hoofdredacteur Vrij Nederland), Martin van Amerongen (hoofdredacteur De Groene Amsterdammer), Martin Bril (columnist de Volkskrant). Hij die anderhalf pakje per dag rookte en met een sigaret in zijn mond dacht te sterven, is gestopt en heeft nog een kans gekregen.

Als de thee op is, leg ik mijn pen neer en vraag of ik hem het stuk nog even zal sturen voor het in de krant komt. „Dat deden we vroeger nooit”, zegt hij. „Het was de kunst om te voorkomen dat je het vooraf moest laten lezen.” En daar komt nog bij: „Als ik het niet gelezen heb, kan ik altijd beweren dat ik het nooit zo heb gezegd.”