Vluchtelingen, zwervers, iedereen is welkom

Frank van DijlRobin Utrecht

Vroeger junkies, nu uitgeprocedeerden. De Pauluskerk biedt onderdak aan mensen die nergens welkom zijn. Foto Robin Utrecht

De gelijkenis is onmiskenbaar. Hoog voorhoofd, olijk kijkende ogen, naar ironisch optrekken neigende wenkbrauwen, minzaam glimlachende lippen onder een borstelsnorretje. De dominee Couvée op de zwart-witfoto is jonger dan de dominee Couvée die tegenover mij zit. De eerste draagt een vadermoordenaar, het soort overhemdboordje dat rond 1920 in onbruik raakte. Misschien is de foto gemaakt toen hij in 1917 was beroepen in Ridderkerk; hij is dan nog geen dertig.

Dick Couvée, zijn kleinzoon, is 61 jaar. Hij draagt meestal een pullover met V-hals en daaronder een overhemd, al dan niet met stropdas. Hij is de dominee van de Pauluskerk. Daar zitten we ook, in zijn kantoor met uitzicht op het Bruidspaleis. Hoewel we niet op voet van uitwisseling van familiefoto’s verkeren, heeft hij me zojuist een andere foto van zijn grootvader overhandigd. Hierop is hij duidelijk ouder, waarschijnlijk ouder dan zijn kleinzoon nu. Hij zit, kalend al, gekleed in driedelig kostuum, de horlogeketting goed zichtbaar, in een leunstoel, heeft net een trek van zijn sigaar genomen en kijkt toe hoe zijn vrouw melk in een beker schenkt.

Ik kwam hem tegen, dominee Dirk Couvée, in het boek De redding van de familie Van Cleeff van Auke Kok en Dido Michielsen. De Joodse familie Van Cleeff bewoonde het huis op de hoek van de Straatweg en de Prins Bernhardkade, Couvée was de predikant van de Nassaukerk in Hillegersberg. In de oorlog probeerde hij „vanuit deze bakstenen burcht Joden waar mogelijk te helpen”, schrijven de auteurs. Hij sprak Joden aan of schakelde tussenpersonen in „en hij liet zich daarbij door niets ontmoedigen.”

Zijn standpunt was „dat de nazi’s op niets anders uit waren dan op de ondergang van de Joden en dat zij zich onmiddellijk onvindbaar moesten maken.”

Hij motiveerde Arij en Riemke van der Meer, de buren van de Van Cleeffs, om er bij hen op aan te dringen dat zij zouden onderduiken. Zo geschiedde. De familie Van Cleeff, vader, moeder, twee dochters, overleefde de oorlog, zij het gehavend.

Waar de toenmalige dominee Couvée mensen hielp door hen onzichtbaar te maken, helpt de huidige dominee Couvée mensen juist door het voortdurend over hen te hebben. Zijn Pauluskerk is een veilige haven voor vluchtelingen zonder papieren, uitgeprocedeerde asielzoekers en voor dak- en thuislozen. Vele tientallen vrijwilligers zetten zich dagelijks, daartoe geïnspireerd door Dick Couvée, voor hen in.

„Mijn vader was ook dominee”, zegt Couvée. „Ik ben genoemd naar mijn grootvader Dirk Jacobus die in 1889 in Rotterdam werd geboren. Hij was oorspronkelijk hervormd en is overgegaan naar de gereformeerde kerk. Hij is overleden in 1978. Mijn vader Jacobus is in 1921 in Ridderkerk geboren, hij overleed in april vorig jaar. Ik kom uit een familie van artsen, juristen en predikanten. Gevluchte hugenoten, nou en of.” Het Franse woord couvée betekent broedsel, kroost — iets kwetsbaars dat verzorgd moet worden. Dat zorgen voor kwetsbaren kun je wel aan de Couvées zelf overlaten.

Op welk moment werd de jonge Dick Couvée zich ervan bewust dat hij in een geslacht van dominees opgroeide?

„Nou, daar ontkom je niet aan. Dat was voor mij de reden om te denken: dat nooit. Ik vond dat een platgetreden paadje, daar had ik geen zin in. Ik ben de kant van het volkenrecht en de mensenrechten opgegaan. Als jurist kwam ik bij Verkeer & Waterstaat terecht, iets heel anders dus. Na mijn rechtenstudie heb ik wel een tijdje theologie gestudeerd, tot en met mijn propedeuse. Daarna heb ik me op het werk bij Verkeer & Waterstaat gestort.”

Later hervatte hij de studie theologie naast zijn werk en zo ontkwam hij er in 1998 inderdaad niet aan dat hij dominee werd.

„Het is het verhaal van het bloed dat kruipt…”, zegt hij. „Er waren twee redenen voor. Ik zag, ook door mijn werk, een samenleving die steeds meer vervuld raakte van materiële waarden. Dat gaat niet goed, dacht ik. En ik vond dat dé kerk, mijn kerk, op het scenario zat: ‘wil de laatste het licht uit doen?’ Ik wilde niet op mijn vijfenzestigste denken: had ik maar… Ik heb met veel plezier bij Verkeer & Waterstaat gewerkt, maar ik heb er nooit spijt van gehad dat ik predikant ben geworden.”

Mijn grootvader was een geliefd spreker. Preken van hem heb ik zelf ook meegemaakt. Hij is in 1957 met emeritaat gegaan, ik was toen drie, maar hij heeft tot op hoge leeftijd gepreekt. En hoe. Hij had briefjes met steekwoorden. Hij kon dingen helder verwoorden en uitleggen.”

Was het voor vader en grootvader geen teleurstelling dat hij geen dominee wilde worden?

„Mijn vader heeft altijd gezegd: je moet het alleen doen als je het niet kunt laten. Hij had er vrede mee dat zijn kinderen niet de weg van het predikantschap zouden gaan. Mijn broer studeerde psychologie, mijn zusje is slaviste. Mijn andere zus is predikant geworden, direct. Mijn grootvader heeft er nooit iets over gezegd. Ik denk dat hij het prachtig had gevonden dat ik toch dominee werd.”

Hij was een begaafd mens, een intellectueel. Schrijver: hij heeft veel romans geschreven, maar ook theologische werken; zijn specialisme was de Bergrede van Jezus. Hij had ook een eigen blad, Herleving, dat schreef hij in zijn eentje onder pseudoniemen vol.”

Opgroeiend in een gereformeerd milieu was de jonge Dick Couvée vaak getuige van discussies op het scherp van de snede. „Op verjaardagen waren het de mannen die discussieerden en als jongen werd je gestimuleerd om eraan deel te nemen. Het ging uiteindelijk altijd over gelijk hebben. Het was vooral rationeel, spitsvondig. Je moest de discussie winnen, dat heb ik afschuwelijk gevonden.”

Werd er over de oorlog gesproken?

„Natuurlijk, maar over wat mijn grootvader heeft gedaan, niet. Dat zat ook in die cultuur. Dat deed je, maar je had het er niet over. Maar als ik nu preek in de stad, zijn er altijd nog mensen die over mijn grootvader praten en dan met name over zijn rol tijdens de oorlog. Van veel kanten heb ik gehoord dat hij een bewonderenswaardige rol heeft gespeeld, dat hij op alle mogelijke manieren heeft geprobeerd om Joden te helpen door ze te laten onderduiken. Wat ik ook hoor is dat hij tijdens zijn preken, waar vaak NSB’ers bij zaten om te noteren wat hij zei, nooit een blad voor de mond heeft genomen. Hij heeft van begin af aan heel fundamenteel de nazi-ideologie onder de kritiek van de Bijbel gezet; daar viel voor hem niet mee te marchanderen. Voor hem was het nazisme een haaks op het christendom staande ideologie die moest worden bestreden.”

Was voor hem het nazisme het kwaad?

„De antikrist, ja, Hitler was de antikrist. Hij gebruikte die woorden ook. Als het ging om totalitaire ideologieën moest je je daartegen vanuit de Bijbel verzetten. Dat gold ook voor mijn vader die in het studentenverzet zat. Ik heb dat in die familie erg ingedronken. Het verklaart míjn verzet tegen het neoliberalisme dat ook totalitaire trekken vertoont, dat is dáár begonnen.”

Is dat ook waarom u zegt: Of je nou papieren hebt of niet, kom maar hierheen, we gaan je helpen?

„Ja. Ik heb in die familie geleerd dat Romeinen 13, over onderwerping aan de overheid, de belangrijkste tekst is en ik weet nog dat mijn opa zei: ‘Natuurlijk zijn we gezagsgetrouw en je draagt mee de samenleving, maar op het ogenblik dat overheden er niet zijn ten goede van de mensen, dan is verzet op zijn plaats. Dat hebben we tóen gedaan, Dick, en elk moment dat dat opnieuw gebeurt is dat aan de orde.’ En het is vaak aan de orde.”

Zetten de kinderen van Dick Couvée de familietraditie voort?

„Nee, maar mijn dochter zegt wel: papa, jij hebt het mooiste beroep want het gaat over God én over mensen. Ze zijn erg maatschappelijk betrokken, alle vier.”