Toen alles anders moest worden

De periode 1900-1945 was voor de literatuur een van de krankzinnigste en spannendste tijdvakken van de afgelopen driehonderd jaar. Jacqueline Bel richtte er een zolder vol schatten over in.

Ruwweg bestaan er twee soorten geschiedschrijving: het archief en het verhaal. Wie een verhaal vertelt, selecteert de feiten die zich logisch laten rangschikken en laat de rest weg. Wie een archief inricht, doet het omgekeerde. Die vult een zolder met materiaal, waarin de lezer kan ronddwalen en alles van zijn gading uit de goed geordende kasten kan trekken.

Bloed en rozen, de nieuwe literatuurgeschiedenis van 1900-1945 van Jacqueline Bel, docent neerlandistiek aan de Vrije Universiteit, volgt het archiefmodel. Het lijvige boek, waar met verlangen naar uitgezien werd, laat zich lezen als een zolder vol bekende en vooral onbekende schatten. Omdat de chique reeks literatuurgeschiedenissen van de Taalunie, waar Bloed en rozen een van de laatste delen van is, de ruimte biedt, hoefde Bel zich niet te beperken bij het inrichten. Ze had maar liefst 22 pagina’s per beschreven jaar. Zo heeft niet alleen Forum, het tijdschrift van Ter Braak en Du Perron, natuurlijk een eigen kast, maar ook alle vergeten verzuilde Vlaamse en Nederlandse tijdschriftjes uit die jaren liggen in een la. Bordewijks Bint neemt veel ruimte in, maar ook Henriette Roland Holsts socialistische verzen hebben een eigen plank op de zolder. Er liggen bovendien heel veel brieven, dagboeken, en literatuurkritieken. Door daar rijkelijk uit te citeren zit Bel haar periode prettig dicht op de huid.

De vorm van het archief heeft evidente voordelen. Omdat Bloed en rozen zo democratisch is ingericht, komen allerlei teksten aan de orde die we lang over het hoofd gezien hebben: van vrouwen bijvoorbeeld, van joodse auteurs of van middle-brow auteurs die Vlaamse boerenromans schreven. Neem de romans van het echtpaar Scharten-Antink vol verering voor Mussolini en vol gebronsde Italiaanse jongens, en de nogal fascistisch getoonzette verzen die Marsman schreef over ons ‘verzwakt geslacht’ dat in een ‘vermolmde boot’ rondzwalkt in de nacht.

Zo staat er veel oorlogsliteratuur in Bloed en rozen, dat immers een tijdperk met twee wereldoorlogen beslaat. Het boek puilt uit van de nieuwe namen en feiten waar we te weinig van wisten. Veel ervan was al verstopt in vakpublicaties, maar is door Bel knap opnieuw gerangschikt en geëtaleerd. We horen Willem Kloos hier niet alleen als een God in het diepst van zijn gedachten, maar ook als propagandist in de Zuid-Afrikaanse Boerenoorlog. Van de Woestijne is niet meer alleen de dichter van melancholieke symbolistische verzen, maar ook de wakkere correspondent van de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Vanuit Brussel doet hij gloedvol verslag van de Eerste Wereldoorlog. Ook citeert Bel enthousiast uit de goed geschreven oorlogsdagboeken van Virginie Loveling die de intocht van de Duitsers mooi observeert: ‘Allen zijn in de kleur van gedroogde grijze aarde gekleed’.

De armsten

De Eerste Wereldoorlog is nog niet voorbij of de crisis die de volgende oorlog inluidde, diende zich al aan. De sociale nood van de armsten drong door in de teksten uit alle zuilen en de documentaire romans droegen titels als Mensen zonder geld of Burgers in nood. Na het aantreden van Hitler en onder oorlogsdreiging werd ethiek al helemaal belangrijker dan esthetiek – al legt Bel ook de nadruk op de literaire kwaliteit van de dagboeken van Anne Frank of Etty Hillesum. Het Geuzenliedboek daarentegen, een verzameling illegale gedichten die circuleerde, functioneerde vooral als uitlaatklep van heldenverering en vaderlandsliefde. Met hun ‘hamerend eindrijm’ hadden de gedichten een hogere morele dan literaire waarde, stelt Bel vast.

Meer bloed dan rozen dus, in deze literatuurgeschiedenis. Geen Feesten van Angst en Pijn van Van Ostaijen, wel veel over de wijze waarop het Vlaamse activisme leidde tot collaboratie met de Duitsers in WO I en II. 

Maar behalve een periode met twee vernietigende wereldoorlogen was de eerste helft van de twintigste eeuw ook een tijd van een koortsachtige opeenvolging van stromingen, ideeën, nieuwe media en technologie. In deze vier decennia zag de wereld feminisme, socialisme, communisme, nationaal-socialisme en kolonialisme komen en gaan. De wereld veranderde radicaal en een nieuwe, democratische en moderne tijd brak aan, waarin alle zekerheden aan het wankelen werden gebracht – van de zwaartekracht tot het bestaan van God zelf.

De patriarchale en imperialistische inrichting van de wereld liep ten einde. De twijfel en de chaos die dat met zich meebracht bepaalden de Europese cultuurgeschiedenis van die eerste decennia van de eeuw en maakt het voor de literatuur tot een van de krankzinnigste en spannendste tijdvakken van de afgelopen driehonderd jaar.

Oorlogsdrift

En daar wreekt zich het archief. Zulke omwentelingen vragen om een mooi verteld verhaal waarin grotere verbanden kunnen worden gelegd en waarin kan worden uitgezoomd. Er komt wel af en toe een manifest of een uitvinding langs (de auto, de telefoon, de film) in de rustig stapelende cadans van Bloed en rozen, maar de dynamiek van het tijdvak, de energie van jonge dichters die op ontploffen stonden van veranderings- en oorlogsdrift, komt minder goed uit de verf. In plaats van over de invloed van de radicale denkers en kunstenaars van het modernisme lezen we over de zaken die toen van het grootste belang waren, van succesvolle streekromans tot de kleine roomse ruzies. Net als in de andere delen van deze reeks, is niet gekozen voor dat wat wereldschokkend wilde zijn, maar voor de volle breedte van het literaire veld – met dat verschil dat Bel (anders dan haar collega’s) nauwelijks spreekt over het boekbedrijf en over de lezers.

Waar ze wel gloedvol over vertelt, is over haar eigen specialisme: de koloniale verhoudingen in Indië, Congo en ook de ‘West’. Over de complexe morele boodschap van Albert Helmans De stille plantage bijvoorbeeld, waarin eerst wordt beweerd ‘een zwarte werkt niet graag in de hitte’, om er dan aan toe te voegen: ‘Dit is de ware neger niet; het is de slaaf [...] die anderen van hem maakten’. Die passages in Bloed en rozen doen verlangen naar nog meer hierover, en zo kan zelfs een boek van duizend pagina’s te dun zijn.

Mede daarom vermoed ik dat deze prestigieuze achtdelige reeks van de Taalunie, die volgend jaar compleet zal zijn, de laatste van zijn soort is. Toekomstige literatuurgeschiedschrijvers zullen immers ook gebruik maken van het reuze-archief dat internet heet. Daar zijn dan alle gedichten, brieven en dagboeken te raadplegen. Stel je voor: je leest het verhaal van de literatuurgeschiedenis op een of ander apparaat. Bij iedere zin kan je klikken om daarachter de foto’s en de schilderijen te zien, de gedichten of zelfs hele romans te lezen, zodat het verhaal zich eindeloos uitvouwt. Het zou een gedroomde synthese tussen het verhaal en het archief zijn. Maar vooralsnog grasduinen we op de volle papieren zolder die Bloed en Rozen is, en stellen we er zelf de verhalen uit samen.

Correcties en aanvullingen

Awater

In Toen alles anders moest worden (Boeken, 4/12, p. C7) werd ten onrechte geschreven dat M. Nijhoffs gedicht Awater niet te vinden was in Jacqueline Bels Bloed en rozen. Het gedicht komt wel degelijk aan de orde in het boek, net als Het uur U en Paul van Ostaijens Feesten van angst en pijn.

Orkest van de 18de Eeuw

De kop boven de recensie Messiah prachtvol, stralend en dramatisch bij Reisopera (7/12, p. C5) klopt niet. Het betreft een uitvoering door het Orkest van de 18de Eeuw.

Wel/Niet Belgisch

In U2 herdenkt slachtoffers aanslagen bij optreden in Parijs (7/12, p. C7) wordt Jacques Brel een Franse zanger genoemd. Hij was een Belg. In Abke Haring speelt een vrouw als defecte machine (7/12, p. C5) wordt de actrice een Vlaamse genoemd. Abke Haring is Nederlandse.

Café Bonne Bière

In San Bernardino (4/12, p. 20) van Frits Abraham stond dat café Bonne Bière aan de Rue Parmentier ligt. De juiste straat is Rue du Faubourg du Temple. Het beschreven filmpje toonde de aanslag op een ander café, de Casa Nostra.