Steun voor gemeente als fiscus

Een fiscale verschuiving van 4 miljard euro naar gemeenten kan het belastingplan redden. Hoe werkt dit eigenlijk?

Foto ANP / Lex van Lieshout

De roep om gemeenten meer mogelijkheden te geven om eigen belastingen te heffen klinkt al jaren. Vanuit de politiek, vanuit de Algemene Rekenkamer en ook vanuit de gemeenten zelf. De verruiming van het ‘lokaal belastinggebied’, zoals het in fiscaal jargon heet, is nu een serieuze optie van het kabinet om de lastenverlichting van 5 miljard euro voor volgend jaar te redden. Met D66 als overtuigd voorstander van deze fiscale verschuiving kan staatssecretaris Wiebes (Financiën, VVD) straks in de Eerste Kamer voldoende steun krijgen voor zijn Belastingplan 2016 – als het CDA tenminste niet wegloopt.  

De recente decentralisatie van enkele grote overheidstaken in onder meer de zorg heeft immers geleid tot meer financiële verantwoordelijkheid van de bijna vierhonderd gemeenten in Nederland. Nu zij meer over de uitgaven gaan, is de redenering, zouden zij ook meer grip moeten krijgen op de eigen inkomsten.

Steun uit de wetenschap

Voorstanders van meer fiscale autonomie voor gemeenten kregen dit voorjaar steun uit wetenschappelijke hoek. Zowel het Centraal Planbureau (CPB) als de Raad voor de financiële verhoudingen (Rfv) en een adviescommissie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) kwamen met rapporten waarin alom werd gepleit voor een groter gemeentelijk belastinggebied. Dat laatste advies werd onder anderen geschreven door Alexander Rinnooy Kan en Marnix van Rij. Beiden zijn inmiddels gekozen tot senator, voor D66 en het CDA, en spelen op dit moment een grote rol in het belastingdebat.

Als gemeenten meer belasting mogen heffen zullen zij een „betere afweging van kosten en baten” kunnen maken, stelt bijvoorbeeld de Rfv. En daarmee beter kunnen inspelen „op de lokale wensen” van de eigen inwoners, voegde het CPB daar aan toe. Kiezen we voor een buitenzwembad of renovatie van de straatverlichting?

En omdat de gemeenteraad er meer controle op krijgt, leidt dit bovendien tot grotere democratische betrokkenheid. Er zijn volgens het CPB ook positieve macro-economische effecten te bereiken. Althans als de rijksoverheid de besparing die met de fiscale verschuiving op het Gemeentefonds wordt bereikt, een-op-een omzet in lastenverlichting voor burgers. Minder inkomstenbelasting bijvoorbeeld of een hogere arbeidskorting. In de studie van het CPB en in het voorstel waar het kabinet op mikt, gaat het om een verschuiving van 4 miljard euro. Afhankelijk van welke gemeentelijke lasten omhoog gaan en voor welke fiscale compensatie het Rijk vervolgens kiest, zou het op termijn tot 15.000 tot tot 30.000 extra banen kunnen leiden.

Poll tax

Er zijn grofweg twee manieren om gemeentelijke belastingen te heffen: via de onroerendezaakbelasting (OZB) voor mensen met een eigen huis of via een ingezetenenheffing voor álle volwassen inwoners. Een hogere OZB zou nivellerend kunnen werken. Omdat een eigen huis een vorm van vermogen is, worden alleen ‘vermogenden’ aangeslagen, huurders niet. Dat is te ondervangen door een gebruikersdeel te introduceren, waarbij ook huurders naar rato een deel afdragen. Daarnaast zou in het CPB-voorbeeld de hogere OZB volgens het profijtbeginsel moeten werken: wie dichter bij voorzieningen als een park of een winkelcentrum woont, betaalt meer.

Bij ingezetenenheffing voor álle inwoners met stemrecht – naar Brits voorbeeld ook wel de poll tax genoemd – zijn inkomenseffecten kleiner dan een verhoging van de OZB berekende het CPB. Dan zou de compensatie wel in de verhoging van de algemene heffingskorting moeten liggen, een fiscaal voordeel voor zowel werkenden als niet-werkenden.