Mist ruikt als de duivel

Christine Corton schreef een duizelingwekkende biografie van de Londense mist. De mist als schildersmuze en de mist als romanpersonage.

Een vrouw met zaklantaarn loodst in het Londense Regent’s Park een auto door de smog, 25 oktober 1938 Foto William Vanderson/Keystone/Getty Images

Als warme lucht koele lucht bij de grond gevangen houdt, spreekt de weerman van een inversie. Dat was zo op 5 december 1952, koud en windstil weer, en duizenden Londense schoorstenen die roet, teer en zwavel bleven uitbraken. Zo ontstond The Great Smog van 1952: kolkende, vuilgele mist die het zicht tot enkele meters beperkte en het openbare leven dagen verlamde: bussen en treinen reden niet, theaters en pubs sloten, mensen zochten op de tast hun weg, de zon was onzichtbaar.

Smog hoorde meestal bij november. Je kon er grimmig om lachen, zoals Daan van der Vat, Londens correspondent voor het dagblad De Tijd. Bij een echte Londense mist, schreef hij, voel je je ‘als een rheumatische vlo’ die een wandeling maakt door een ‘natte deken welke zojuist uit het raam is gevallen van een Bulgaars hospitaal voor besmettelijke ziekten’. Londense mist ‘ruikt naar de duivel’.

Je kon je erover opwinden, zoals politici, artsen en burgers af en toe deden. Of je reageerde gelaten. En zelfs met trots. Op het doorstaan van de beproeving en omdat die misten de hoofdstad van het Empire uniek maakten. Zoals Darwin schreef: ‘There is a grandeur about its smokey fogs.’

Het woord ‘smog’ – smoke (rook) plus fog (mist) – dateert uit 1904. Maar het fenomeen, waterdruppeltjes in de lucht die zich aan rook en roet hechten is oud. Elizabeth I klaagde in de 16de eeuw al over de ‘taste and smoke of sea-coales’ – ‘zeekolen’ was steenkool die over zee uit noord-Engeland werd aangevoerd. Maar de verstikkende pea-souper, de ‘erwtensoep’ die alle kleuren tussen geel en bruin kon aannemen, dateert van de industriële revolutie in de 19de eeuw. Er waren halfhartige pogingen de lucht schoner te maken, maar er veranderde weinig.

Pas ‘1952’, met duizenden ‘extra’ doden door luchtwegaandoeningen, was een keerpunt. Wetgeving – de Clean Air Acts van 1956 en 1968 – en het gebruik van gas en elektriciteit die steenkool verdrongen, maakten geleidelijk een einde aan de Misten van Vroeger. 

Met London Fog schreef Christine Corton een duizelingwekkende biografie van de Londense mist. De mist als ding en de mist als idee. Want mist is óók een onuitputtelijke metafoor.

Victorianen projecteerden hun angsten voor seksuele perversie en het uiteenvallen van de sociale orde op de mist. Corton laat dat prachtig zien in bekende literatuur en onbekende maar ooit-populaire pulpromans, die ze heeft opgegraven. Over cruciale scènes van Jeckyll & Hyde hangt mist. Het is geen toeval dat Jack the Ripper tijdens de mist van 1888 door het East End waarde. Een vrouw moet niet alleen over straat, laat staan in de mist. Maar een enkele keer maakt diezelfde mist een vrouw juist voor even onafhankelijk.

‘De mist is het belangrijkste personage’, schreef historicus Peter Ackroyd over de Londense literatuur van de 19de eeuw. Corton toont hoe veelkleurig dat personage is. Hoe zou Dickens’ Londen kunnen bestaan zonder de mist? Alleen al het onheilszwangere begin van Bleak House (1853) – ‘Neerslaande rook van de schoorstenen, een zachte zwarte druilregen met vlokken roet zo groot als volwassen sneeuwvlokken, in rouw over de dood van de zon. Fog everywhere. Fog up the river. Fog down the river.’ Na een (te) lange exegese van zijn oeuvre concludeert Corton weinig verrassend dat bij Dickens de mist dikker wordt naarmate hij pessimistischer werd. Elders is ze overtuigender. Zo betoogt ze dat mist bij Arthur Conan Doyle, schepper van Sherlock Holmes, de momenten benadrukt dat Sherlock zelf nog niet weet hoe hij een zaak moet aanpakken. Mist is mysterie. 

Afgezien van de proto-impressionist Turner hadden Londense schilders de pest aan de mist, die het perspectief bedierf. Maar buitenlanders als Monet en Whistler zwelgden erin. In zijn hotelsuite met zicht op de Theems maakte Monet tientallen schilderijen met mist als onderwerp. Een heldere dag was een verloren dag: ‘Alles is dood’ schreef hij, ‘geen mist, geen inspiratie’. De rollende mist in duizelingwekkende kleuren ‘transformeerde de stad tot een ding van de verbeelding’, schrijft Corton. Ze had nog één stap verder kunnen gaan: mist en verf vielen zo samen.

Eeuwenlang dwong mist tot lijden in stilte en doorploeteren, typisch Britse deugden (denken de Britten). Vandaar is het een kleine stap naar de Blitz spirit, schrijft Corton, de stoïcijnse houding tijdens de Duitse bombardementen van 1940 en ’41. Je zou bijna denken dat de rook op foto’s uit die dagen eigenlijk mist is. ‘If truth be told’, citeert ze The Times, ‘wil de Londenaar zijn mist niet kwijt.’

Toen de mist optrok was het onvermijdelijk dat als verlies te ervaren. ‘We waren gewoon in de mist te leven’, schreef Evelyn Waugh in 1941. ‘De prachtige, lichtgevende, getaande misten van onze jeugd. We ontwierpen een stad die bedoeld was om de mist te zien. We hadden een mistige manier van leven. […] En dan vindt iemand de elektriciteit uit. De mist trekt op en de wereld ziet ons zoals we zijn. Erger nog: we zien onszelf zoals we echt zijn.’

Dat is de laatste metafoor: mist als nostalgie. Smog is er nog, maar dat is saaie smog van uitlaatgassen en ozon. Die heb je overal. Corton laat een beklemmend gevoel achter: Londen voelt nu een beetje bloot.