Menselijke maat? Niet in deze diplomafabrieken

In welke behoeften willen we dat de Nederlandse universiteiten voorzien en waar blijft de visie daarop, vraagt Pieter Fritschy zich af.

Foto DPA

Minister Bussemaker stuurde afgelopen week een alarmerende brief aan de Tweede Kamer. In die brief (De menselijke maat in het mbo) wordt geconstateerd dat veel mbo-instellingen tot „leerfabrieken” zijn verworden, waar „de menselijke maat” uit zicht is verdwenen. Bussemaker uit hiermee haar onvrede over de bedrijfsmatige opzet van mbo-instellingen, waarbinnen de student ondergeschikt wordt gemaakt aan overwegingen van efficiëntie en „macrodoelmatigheid”.

De oplossing? Minder gewicht toekennen aan deze voordelen van schaalvergroting en meer nadruk op „onderwijskwaliteit en de belangen van studenten”.

Een lovenswaardig initiatief, dat de vraag oproept waarom Bussemaker denkt dat juist het mbo de belangen van de student uit oog is verloren. Het is immers slechts een half jaar geleden dat vanuit het bezette Maagdenhuis in Amsterdam eenzelfde klacht over het bedrijfsmatige karakter van universiteiten te horen viel.

Het bestuur van de UvA, zo riepen de bezetters, denkt uitsluitend in termen van rendement, met als gevolg dat studenten, opleidingen en diploma’s vooral op aantal, en niet op kwalitatieve criteria worden beoordeeld. Of, in Bussemakers huidige terminologie: de universiteit moet terug naar de menselijke maat.

Het Nederlandse onderwijsbeleid heeft te kampen met een fundamenteler probleem dan schaalvergroting in het mbo. Dit probleem is het ontbreken van een principiële visie op welke rol de verschillende onderwijsinstellingen in e samenleving moeten spelen.

In welke behoefte(n) willen we bijvoorbeeld dat de Nederlandse universiteiten voorzien? De behoefte aan de ontwikkeling van wat enkel formeel nog een ‘kenniseconomie’ genoemd kan worden? De behoefte aan de sociaal-democratische wens een zo groot mogelijk deel van het volk te verheffen?

Of de behoefte aan het opleiden van academici, die later grondig en internationaal competitief onderzoek kunnen doen? Afhankelijk van het antwoord op deze vraag komt men vanzelf tot conclusies over hoe groot- of kleinschalig de universiteiten zouden moeten worden opgezet en over, bijvoorbeeld, welke (complementaire) rol de beroepsopleidingen van het hbo en het mbo zouden moeten spelen.

De bezetting van het Maagdenhuis was een direct gevolg van het feit dat deze vraag maar niet op de Haagse agenda wil verschijnen. Bussemakers brief is echter een goede aanleiding om daar verandering in te brengen. Het is immers niet enkel het mbo dat onder schaalvergroting te lijden heeft: ook de Nederlandse universiteiten zijn one-size-fits-none diplomafabrieken geworden.

Inderdaad, het feit dat ‘university colleges’, ‘honours-trajecten’ en ‘excellente masters’ overal als paddenstoelen uit de grond schieten, laat zien dat er bepaalde behoeften bestaan die stelselmatig worden verwaarloosd. Een van die behoeften is academische diepgang. Daarin wordt voorzien door – niet verrassend – de toegang tot excellente trajecten voorwaardelijk te maken aan het succesvol doorlopen van een (vaak strenge) selectieprocedure.

Op deze manier worden op een ad hoc basis verschillende onderwijsniveaus gecreëerd, met talloze gevolgen die een principiële visie en een landelijke aanpak vereisen. Zo is het onvermijdelijk dat hoe meer van deze excellente trajecten worden ontwikkeld, hoe meer het diploma van de reguliere student aan inflatie onderhevig zal raken. Wat haar of hem op termijn wellicht doet besluiten helemaal niet als een van de duizenden eerstejaarsstudenten aan een universitaire rechtenstudie te beginnen.

Helaas wordt daarmee, door de spontane, op microschaal genomen besluiten om excellente trajecten te starten, een vraag beantwoord die in Den Haag en eigenlijk in elke onderwijsdiscussie centraal moet staan: welke onderwijsniveaus (excellente trajecten, universitaire opleidingen, beroepsopleidingen) zijn nodig om in de behoeften van de samenleving te voorzien en hoe kunnen de grote aantallen studenten het beste over die onderwijsniveaus worden verdeeld om optimaal in die behoeften te voorzien?

Totdat op deze vraag een bevredigend antwoord is gevonden blijft de „menselijke maat” in het Nederlandse onderwijsbeleid ver te zoeken.