‘Je moet ruimte open laten voor mislukking’

Dit jaar verschenen er twee romans van hem over botsende levensstandpunten. ‘Ook voor mijn eigen werk geldt dat er altijd iets mis moet kunnen gaan, anders is het niet interessant.’

Bert Natter: ‘Ik heb een moderne roman geschreven met een personage dat jaagt op de geest van een dode’ Foto Lars van den Brink

Toen Bert Natter (1968) op zijn Baarnse schrijfzolder bezig was aan een historische roman over Bachs Goldberg Variaties, werd hij getroffen door een lekkage. Het zou wel een paar weken kunnen duren voor hij weer in zijn werkkamer (vol schema’s en aantekeningen) kon, zo zei de aannemer. Het was een mooi moment om aan een kort verhaal te beginnen, dacht Natter. Hij legde zijn ambitieuze project opzij en begon te werken aan een verhaal over een vader en een zoon die in de auto van Hamburg naar Nederland rijden. Eenentwintig werkdagen later legde Natter de laatste hand aan de roman Remington van ruim tweehonderd bladzijden.

De lekkage was intussen verholpen en Natter kon verder met Goldberg, een vuistdikke roman over een mediagenieke schrijver, die naar Dresden reist om onderzoek te doen naar Johann Gottlieb Goldberg (1727-1756), de leerling van Bach naar wie de bekende variaties vernoemd werden. Zo publiceerde Natter in acht maanden tijd twee romans – Goldberg ligt net in de winkel, Remington haalde de longlist van de ECI Literatuurprijs.

Om met ‘Remington’ te beginnen: had u dat boek al helemaal in uw hoofd voordat u er aan begon? Want anders kan het toch niet zo snel gaan, dat schrijven?

„Wat hielp is dat de twee personages hierin vrij dicht bij mijzelf staan. De zoon is een beeldend kunstenaar en de vader een dichter. Hun artistieke standpunten botsen. Net als hun levensstandpunten natuurlijk, maar dan wel op zo’n niveau dat het mij aanspreekt.”

Vader en zoon zijn in zekere zin elkaars tegenpolen. Bij wie staat u het dichtst?

„Ik heb misschien meer gemeen met die zoon, omdat hij iemand van onze tijd is. Maar mijn sympathie ligt bij de vader. Hij is in zekere zin vrijer dan zijn zoon, die bijvoorbeeld meteen naar het scherm van zijn telefoon kijkt als hij wil weten of er in de buurt een hotel of een restaurant is. En juist doordat die vader dat niet doet en hij mensen aanspreekt of aan het dwalen gaat, komen ze nog eens op een plek die de moeite waard is.

„Die houding heeft die vader ook in zijn werk. Hij is als dichter naar Hamburg getrokken om gedichten te schrijven en omdat het hem niet gelukt is, zou je dat als zijn ultieme nederlaag kunnen zien. Maar hij heeft het risico wel genomen. Die zoon bedenkt kunstwerken, maar laat ze door anderen produceren. Daar spreekt controle uit, of gecontroleerdheid, net als dat eindeloze getuur op die telefoon.”

Komen we hiermee bij de kern van wat u van kunst verwacht?

„Schilder en schrijver Diederik Kraaijpoel (1928-2012, red.) boog zich in zijn boek Was Pollock kleurenblind? over een zinnetje in de Bijbel, namelijk ‘En God zag dat het goed was’. Kraaijpoel verbond aan deze zin de conclusie dat Gods werk blijkbaar ook had kunnen mislukken. Ook voor mijn eigen werk geldt dat er altijd iets mis moet kunnen gaan, anders vind ik het niet interessant.”

Vader citeert er op los. Was u niet bang dat hij als een encyclopedie zou overkomen, in plaats van als een mens?

„Zijn welbespraaktheid en kennis moesten naturel zijn, al vind ik het niet erg dat hij als representant van een bepaalde generatie overkomt. Ik heb hem expres een bepaalde dictie gegeven, waarin je Gerrit Kouwenaar zou kunnen herkennen. En net als Kouwenaar heeft mijn dichter het veel over ‘men’.”

We lezen over Kouwenaar?

„Dat niet. Toen de roman af was kwam ik tot de ontdekking dat hij wel erg op Willem G. van Maanen (1920-2012, red.) lijkt. Mijn debuut Begeerte heeft ons aangeraakt belandde ooit in zijn handen en we hebben daarna een keer samen een uitsmijter gegeten. Van Maanen was ook zo’n bijzondere man, die op een geheel eigen wijze sprak. Maar hij was ook heel speels en liet ruimte open voor mislukking.”

Ook in ‘Goldberg’ speelt de mislukking een belangrijke rol. Uw Sebastian hoopt iets belangrijks over Johann Goldberg te vinden, maar hij komt bedrogen uit.

„Hij zit natuurlijk in een vergelijkbaar proces als Alfred Issendorf in Hermans’ Nooit meer slapen: hij probeert een belangrijke ontdekking op wetenschappelijk terrein te doen, maar alle bewijsstukken worden hem uit handen geslagen.”

Hoe is dit boek tot stand gekomen? Het wijkt qua dikte en inhoud sterk af van uw eerdere werk.

„Ik was al lang geïnteresseerd in Bach en in mindere mate in Goldberg. De Bachbiografie van Christoph Wolff leunt sterk op de Bachbiografie van Johann Nikolaus Forkel, maar hij heeft twijfels bij diens uiteenzetting van de totstandkoming van Bachs Goldberg Variaties. Goldberg, een leerling van Bach, was volgens Wolff bijvoorbeeld te jong om die variaties al te kunnen spelen voor graaf Keyserlingk. Het leek me spannend om over deze kwestie een historische roman te schrijven. Hoe zat het wél? Hoe gingen die graaf en Goldberg met elkaar om? Maar gaandeweg begon die Goldberg mij veel meer te interesseren. Hij is een jonggestorven man die zowel begaafd als stijfkoppig was, onsympathiek en daarom voor mij interessant.

„Maar mijn plan voor een historische roman begon te wankelen toen ik ondervond hoe lastig het is om achttiende-eeuwse figuren te laten spreken, ze een menselijk cachet te geven. Wie namelijk in geschriften uit die tijd duikt, merkt dat men nauwelijks iets losliet over het eigen gevoelsleven. Je kunt complete briefwisselingen, dagboeken en memoires opslaan en nog geen idee krijgen van hoe men toen de wereld ervoer. Dat delen van emoties is pas later ontstaan.

„Mijn oplossing was om een soort fictieve Goldbergbiografie te schrijven waarvan niet geheel duidelijk zou zijn wat feitelijk klopte en wat fictie was. Toen dat af was, besloot ik nog een hoofdstuk te schrijven vanuit het perspectief van een hedendaagse onderzoeker die de wereld van Goldberg beschouwt. Maar volgens mijn redacteur, en al snel ook volgens mijzelf, was dat nu juist het beste deel van de roman. Dus zo heb ik langzamerhand een moderne roman geschreven met een personage dat jaagt op de geest van een dode.”

Dat u niet wist hoe mensen eeuwen geleden spraken of dachten moet ook lol hebben opgeleverd. Zo laat u Goldberg opmerken dat Bach een ‘kale boer was die ze een pruik hebben opgezet.’

„Zeker, daarom laat ik mijn verteller Sebastian, de gesjeesde student musicologie, ook een boekje vinden over de opgraving van Bach in de negentiende eeuw. Daaruit blijkt dat men verwachtte in het graf een gedistingeerde heer aan te treffen, zelfs als skelet.

„Ik las laatst een stuk van Joost Zwagerman waarin hij zich erover verbaast dat Mark Rothko naar Mozart luisterde als hij schilderde. Hij kon zich niet voorstellen dat je zulk somber werk kon maken als je zulke lichte muziek op had staan. Dat blijft ons verrassen, die tegenstrijdigheden. Zoiets moet bij Bach ook te vinden zijn. Hij is de allergrootste componist, maar misschien stonk hij wel.”