Column

Het verlangen naar een heldenrol blijft

Wat dreef de daders van de aanslagen in Parijs? Hoe werden jongeren uit Saint-Denis of Molenbeek tot gevaarlijke terroristen? In Frankrijk en België is het debat nog niet geluwd. Het antwoord is relevant; wie herhaling wil voorkomen moet zicht krijgen op oorzaken en motieven. President Hollande sprak van ‘oorlogsdaad’ en zette de vernietiging van de machtsbases van IS in Syrië en Irak hoog op zijn agenda; hij reisde naar Obama en Poetin en ontving Merkel en Cameron. Maar is dit de juiste respons? Islamkenner Olivier Roy – al 30 jaar met het onderwerp bezig – is niet overtuigd. IS stuurt immers geen Syrische strijders naar Frankrijk om aanslagen te plegen uit wraak voor de Franse bombardementen. Nee, IS put uit een vijver van Franse en Belgische geradicaliseerde jongeren, vaak al van het rechte pad af, die op zoek gaan naar „een zaak, een label, een verhaal waarop ze de bloedige handtekening van hun persoonlijke revolte kunnen zetten”. Voor die revolte maakt de uitkomst van wat in het Midden-Oosten gebeurt niets uit, aldus Roy op website Mediapart.

Daarom schieten de beide verklaringen die op opiniepagina’s en in tv-studio’s de ronde doen volgens hem tekort. Enerzijds is er de verklaring vanuit cultuur of religie: terrorisme van jihadisten als uiting van de botsing der beschavingen, een teken dat de Islam niet in de moderne wereld kan integreren zonder theologische herbezinning op de Koran. De andere verklaring benadrukt de vernedering van het kolonialisme, de identificatie met de Palestijnen, het racisme en de uitsluiting in de West-Europese samenlevingen. Geen van beide perspectieven verklaart waarom slechts een fractie van de moslims radicaliseert – enkele duizenden jongeren op een populatie van miljoenen. Roy stelt vast dat de Franse jihadisten tot twee groepen behoren: driekwart is ‘tweede generatie’, geboren in Frankrijk of als kind gekomen; eenkwart is ‘bekeerling’ van Franse komaf, inclusief plattelandsjongeren. Beide categorieën hebben gemeen dat ze breken met de cultuur van hun ouders. Radicalisering vindt plaats in een kleine kring generatiegenoten. Geen van de jihadisten was voordien actief in een politieke beweging of de lokale moskee. Het waren randfiguren, verveelde feestgangers, kleine criminelen met een hasjbar zoals de Molenbeekse broers Abdeslam. Hasnah Aït Boulahcen, het geradicaliseerde nichtje van showterrorist Abedlhamid Aaabouad, was een jaar geleden nog een onstabiele, rokende, wodka drinkende jonge vrouw in spijkerbroek en cowboylaarzen. De radicalisering vindt niet in vroomheid of uit engagement plaats, maar rond een idee van revanche, heldendom en avontuur, gevoed door de kick van vernietigend geweld. Christoph Degreef, onderzoeksjournalist van Brussel Deze Week, spreekt van een „tegencultuur” – zoals die zich in de jaren ‘60 en ‘70 vormde rond het marxisme. Politicoloog Rick Coolsaet: „Het staat buiten godsdienst of politiek, het is een jongerensubcultuur.” Olivier Roy vatte het samen in de formule: „We beleven niet de radicalisering van de islam, maar de islamisering van het radicalisme.”

Toch verdwijnt de buitenlandpolitieke dimensie van het conflict hiermee niet. Kwestie van vraag en aanbod. IS biedt het verhaal, het grotere verband, het radicalisme waarnaar de avontuurzoekers snakken. Verveelde jongeren, Rebels without a cause – ze krijgen door ronselaars een cause aangereikt. Het Saoedisch salafisme is het ‘pure’ product dat deze jongeren bevalt. Behalve een verhaal biedt IS geld, wapens en logistiek om het uit te voeren. Zo bezien bombardeert Hollande de leveranciers van de attributen en van een theater voor geweld – en terecht – maar dempt hij niet het verlangen naar een heldenrol.