Geen geld voor in de collectebus

Rotterdammers scoren heel slecht bij landelijke collectes. Wat betekent dat, denken Rotterdammers alleen aan zichzelf?

Foto ANP

Vijftig cent. Dat was het bedrag dat Rotterdammers vorig jaar in totaal per huishouden aan goede doelen gaven. Daarmee bungelt Rotterdam bijna helemaal onderaan in Nederland, nog net boven Amsterdam. In de hoofdstad had ieder huishouden 36 cent over voor collectanten, blijkt uit gegevens van het Centraal Bureau Fondsenwerving. Ter vergelijking: in de gemeente die het meeste gaf vorig jaar, Zaltbommel, doneerde ieder huishouden gemiddeld 22,07 euro.

Dat lijkt de reputatie te bevestigen van de stad waar het felle verzet onlangs tegen een azc in Beverwaard, goed past bij voortdurende populariteit van politieke partijen die weinig verwelkomend zijn voor vreemdelingen: Rotterdammers eerst. Maar klopt dat? Zijn Rotterdammers inderdaad asociaal?

Om te beginnen met de collecte-opbrengsten: dat is niet zo zwart-wit als het lijkt, zegt een woordvoerder van het Centraal Bureau Fondsenwerving. In grote steden zijn de opbrengsten in het algemeen lager.

KWF Kankerbestrijding, de grootste ontvanger van collectegelden, ziet in Rotterdam juist een licht stijgende trend, tegen een dalende landelijke trend in. In 2013 haalde KWF in de havenstad nog 72.836 euro op, dit jaar was dat 81.762. Ook in Utrecht (van 98.000 naar 103.000 euro) en Amsterdam (van 103.000 naar 116.000 euro) stegen de opbrengsten iets tussen 2013 en 2014.

Volgens hoogleraar filantropie aan de VU Ton Schuyt is wel verklaarbaar dat in grote steden relatief minder wordt opgehaald. „Bij landelijke collectes kijk je naar een type fondsenwerving dat goed werkt in een vrij homogene bevolking. In steden als Rotterdam is de bevolking erg gemengd. Als je daar geld wilt ophalen, moet je dat doen met personen die in die verschillende groeperingen thuis zijn.” Hij geeft een voorbeeld uit de stad waar hij woont, Amsterdam. „Als de Ghanezen geld geven, doen ze dat bij hun eigen kerkgenootschap. Daar geven wij ook geen geld aan, terwijl met dat geld bijvoorbeeld wel alleenstaande moeders worden geholpen.” Hij wil maar zeggen: andere culturele groepen zijn wel vrijgevig, maar niet per sé aan doelen als de hartstichting of KWF. „Mensen moeten ook geen haast hebben. Uit onderzoek blijkt dat mensen met haast minder geven. En het tempo in de stad ligt nu eenmaal hoger.” En de stad is ook anoniemer. „In een dorp valt het op als je de deur dichtgooit voor een collectant.”

Als je kijkt naar vrijwilligers in plaats van naar geld, dan lijkt Rotterdam het niet echt slecht te doen. De afgelopen 3 maanden hebben zich bijvoorbeeld 742 nieuwe vrijwilligers gemeld bij de landelijke organisatie van VluchtelingenWerk, specifiek voor regio Rotterdam. Dat is 7 procent van het totaal aantal vrijwilligers dat zich landelijk voor één van de 12 regionale stichtingen heeft aangemeld.

Het grootste leger vrijwilligers in de stad loopt rond op sportclubs. Er is geen aanwijzing dat Rotterdam het daar slechter doet dan andere gemeenten, en zeker niet dan andere grote steden. In Rotterdam zijn ongeveer 350 sportverenigingen, zegt Martin van Berkel van Rotterdam Sportsupport. Deze organisatie ondersteunt sportclubs, onder meer bij het werven en organiseren van zijn vrijwilligers. „Er is geen hard cijfer over het aantal vrijwilligers bij deze clubs, maar de inschatting is ongeveer 25.000.” Uit recente cijfers over 2015 blijkt wel dat een kwart van de clubs moeite heeft voldoende vrijwilligers te vinden, zegt Van Berkel. „Een andere bestuursstructuur kan soms al helpen: minder bestuurders, meer uitvoerders. Wat ook helpt is om vrijwilligers te werven voor concrete vacatures, niet algemeen.”