Draghi’s macht stuit op verzet uit het Noorden

De ECB maakt de verwachtingen die topman Draghi wekte, niet waar. De koers van de euro steeg. Extra stimulering is afgezwakt.

De maatregelen die president Mario Draghi van de Europese Centrale Bank (ECB) gisteren aankondigde om de economische groei aan te jagen en inflatie te veroorzaken, werkten als een boemerang. Het recept van Draghi lijkt even uitgewerkt.

De euro dáálde niet in waarde – zoals Draghi had beoogd – maar steeg juist en zeer fors: van rond 1,055 dollar vóór Draghi’s persconferentie tot een fractie onder 1,09 dollar gisteravond. Beurzen daalden (de AEX met 3,7 procent), de rentes op staatsobligaties stegen (de Nederlandse en Duitse tussen 0,12 en 0,15 procentpunt). Vanmorgen veranderde het beeld van gisteren niet.

Draghi heeft de voorbije maanden verwachtingen gewekt, die hij, bleek gisteren in de vergadering van het 25-koppige ECB-bestuur, niet kan waarmaken. Publiekelijk zinspeelde de Italiaan de afgelopen tijd op extra stimuleringsmaatregelen, omdat de groei in het eurogebied zwak blijft (0,3 procent in het derde kwartaal), en de inflatie zeer zwak (0,1 procent in november).

Die maatregelen kwamen er wel, maar ze zijn onder druk van een minderheid van hoofdzakelijk Noord-Europese landen afgezwakt. Beleggers hadden erop gegokt dat het gewicht en het gezag van Draghi de doorslag zouden geven. Maar er zijn grenzen aan zijn macht, zo blijkt.

In plaats van twee rentetarieven te verlagen, zoals was verwacht, verlaagt de ECB er maar één. De depositorente (die banken krijgen op het ‘parkeren’ van geld bij de ECB) gaat van -0,2 procent naar -0,3 procent. Dat betekent dat banken nu een nog hogere boete betalen als ze geld wegzetten bij de ECB. Zo wil de centrale bank dwingen om het geld niet in Frankfurt te stallen, maar uit te lenen aan burgers en bedrijven. Maar het belangrijkste rentetarief, waartegen banken geld kunnen lenen bij de ECB, blijft ongewijzigd op 0,05 procent.

Duits-Nederlands verzet

De centrale bank breidt haar opkoopprogramma van obligaties (hoofdzakelijk staatsobligaties) uit, maar minder dan verwacht. Het programma zal nu duren tot maart 2017, niet tot september 2016, zoals eerder was aangekondigd. Dat komt neer op 360 miljard extra aan obligaties, die de ECB aankoopt bovenop de eerder afgesproken 1.140 miljard. Maar op de markten was meer verwacht. Beleggers waren er van uitgegaan dat het maandelijkse aankoopbedrag – nu 60 miljard euro – zou worden opgehoogd, tot 70 of 80 miljard. Dit gebeurt niet.

En dat komt grotendeels door het verzet van Jens Weidmann, president van de Duitse Bundesbank, plus het Duitse ECB-directielid Sabine Lautenschläger en centralebankiers uit kleinere landen, onder wie Klaas Knot, de president van De Nederlandsche Bank. Zij herhaalden gisteren de bezwaren die ze in januari bij de lancering van het opkoopprogramma al hadden geuit: het zou financiële zeepbellen creëren en de druk op regeringen om economische hervormingen door te voeren verlichten. Weidmann en Lautenschläger hebben die bezwaren de voorbije weken ook publiekelijk geuit.

Bij informeel vooroverleg, eergisteren, presenteerde ECB-hoofdeconoom Peter Praet opties die verder gingen dan het uiteindelijke besluit van gisteren. Op basis van dit vooroverleg deed Praet een afgezwakt voorstel, waarvan hij en Draghi hoopten dat het noordelijke smaldeel van ‘haviken’ het acceptabeler zou vinden.

Niettemin tekenden Knot en zijn collega’s uit Duitsland en enkele kleine landen, waaronder twee Baltische, bezwaar aan. „Het besluit was niet unaniem”, zei Draghi, maar had „wel een heel grote meerderheid”. Daarmee is de ECB net als in januari openlijk verdeeld.

Om beleggers toch te overtuigen van het nieuwe pakket, legde Draghi de nadruk op een nieuwe maatregel. De ECB zal de obligaties die zij eenmaal in bezit heeft, vervangen als ze aflopen. Voor elke tweejarige Nederlandse obligatie wordt bijvoorbeeld na twee jaar een ‘verse’ aangeschaft.

Zo blijft ook na maart 2017 de 1.500 miljard euro die de ECB in totaal aan obligaties koopt, op haar balans staan. Het bijzondere monetaire beleid wordt dan in feite permanent. Bij de Amerikaanse Fed is dit ook zo. Maar beleggers waren daar, getuige de negatieve reacties op de markten, niet van onder de indruk. En dat is een probleem voor de ECB.

Inflatiedoel verder buiten bereik

Als de eurokoers blijft stijgen, zal dat de economie en de inflatie raken. Een dure euro betekent minder economische groei door export: Europese producten worden duurder in het buitenland. Het betekent ook lagere inflatie: de import wordt met een dure euro juist goedkoper, wat een drukkend effect heeft op prijzen.

De ramingen voor groei en inflatie van de ECB zijn gebaseerd op een eurokoers van 1,09 dollar – maar de euro schoot daar gisteren overheen. Stijgt de euro verder, dan moeten de ECB-ramingen omlaag. En ze zijn al laag: de ECB verwacht voor dit jaar 1,5 procent economische groei en een inflatie van 0,1 procent. De inflatie zal oplopen naar 1,6 procent in 2017. Daarmee blijft het officiële inflatiedoel van de ECB van iets onder de 2 procent buiten bereik.

Het inflatiedoel is voor centralebankiers heilig. Lukt het de ECB niet om de inflatie op het doelniveau te brengen, dan komt haar geloofwaardigheid in het geding. Dit is ook een probleem voor de Fed en voor de Japanse centrale bank, die de inflatie ondanks hun opkoopprogramma’s evenmin omhoog weten te krijgen.

Draghi heeft sinds gisteren nóg een geloofwaardigheidsprobleem. Hij mag dan steeds herhalen dat de ECB „alles” zal doen om de inflatie vlak bij de 2 procent te krijgen. Maar in de ECB zit ook het grootste land van de eurozone, Duitsland. Nu de Duitsers, net als eerder samen met Nederland, weer op de rem zijn gaan staan, wordt duidelijk dat de Italiaan te maken heeft met een Noord-Europees contingent dat zijn speelruimte permanent beperkt.