Zo bezopen is die koek-en-zopie postbode niet

Cynisme over de nieuwe postbode als ‘wijkbewaker’ is misplaatst, schrijft Christiaan Weijts.

Soms snak ik ook wel naar zo’n verrukkelijke Verkadebiscuitjeswereld, bevolkt door oom agent, koek-en-zopiekraampjes en de postbode die met één hand aan het fietsstuur een praatje maakt bij het tuinpad. Ik was dan ook minder overstuur dan de rest van Nederland, toen ik hoorde van het plan van PostNL om van postbodes ook ‘wijkbewaker’ maken, die bijvoorbeeld letten op zwerfvuil en hondenpoep. In Schiedam fotograferen ze nu als experiment elke dag vuilcontainers.

Zelf ben ik ook postbode geweest. Het uitzendbureau belde me de ochtend nadat ik Il postino had gezien, die wondermooie film over de postbode op het Siciliaanse eilandje waar Pablo Neruda in ballingschap woonde. Ik had nogal romantische en dus nogal onjuiste verwachtingen van het beroep, en dat kwam niet alléén omdat Leidse nieuwbouwwijken zo weinig op Siciliaanse eilandjes lijken. Ik hield het één zomer lang vol.

De nieuwe invulling die PostNL aan het kwijnende vak wil geven is een stapje in de richting van de nostalgische postbode: een vertrouwde figuur die een oogje in het zeil houdt. Maar Facebookend en Twitterend Nederland bleek meteen als de dood voor ‘verklikkers’, ‘NSB’ers’, of, als een tegendraadse geest zich eens ongehoord mild wilde uitdrukken: ‘betutteling’. Hun schrikbeeld is, denk ik, die oude Koot en Bie-scène: ‘Wij komen éventjes kijken of de tuin al winterklaar is…’ Maar hoe terecht is dat wantrouwen?

Stel dat PostNL had aangekondigd de post voortaan alleen nog maar te bezorgen per robot of drone. Dan hadden we steen en been geklaagd over de oprukkende kilte van scanpoortjes en digitale loketten, van onbemande kassa’s en anonieme belmenu’s.

Op elke stedentrip hollen we meteen de kleine straatjes in waar we ons vertederd kunnen vergapen aan glasblazers, wijnbarretjes en schoenmakers. Zelfs de meest onthechte grootstedeling wil in een dorpje wonen, waar de bakker zijn naam kent, waar je elkaars kinderen op straat corrigeert bij kattenkwaad, waar de postbode eens aanbelt bij bejaarden van wie de gordijnen al te lang te dicht zijn. Tel het verlangen naar een dorp en de angst voor betutteling bij elkaar op, deel het door twee en je krijgt een postbode die vuilcontainers staat te fotograferen. Een milde vorm van burgerlijke controle. In België inventariseren postbodes bij bejaarden wat ze nodig hebben, en ook in andere landen zoeken ze naar nieuwe rollen voor dit veranderende beroep.

Wat kan erop tegen zijn om dit een nieuwe invulling te geven, een menselijke factor in wijken waar iedereen treurt om een steeds onbemandere samenleving? Denigrerend doen over zo’n initiatief lijkt me voorbarig. Als het goed uitpakt – en mits er voldoende extra loon is, en ze hun eigen vaste wijken krijgen – kan die nieuwe postbode ook voor andere veranderende beroepsgroepen uitgroeien tot een prototypisch voorbeeld, een exempel of, zoals ‘il postino’ verrukt uitroept als Neruda hem iets over poëzie heeft geleerd: ‘Una metáfora!’