Vervuilen is nu nog heel goedkoop

Hoe zorg je dat vervuilers opdraaien voor de kosten van klimaatverandering? Betalen voor CO2 kan de oplossing zijn, maar alleen als alle landen meedoen.

Adviesbureau Carbon Visuals gebruikt data van CO2-uitstoot en maakt die zichtbaar in illustraties. Hier is de dagelijkse uitstoot van CO2 in New York in 2010 te zien, uitgebeeld in eenheden van een ton.

De vervuiler betaalt. Dat principe werd al meer dan twintig jaar geleden op de grote milieuconferentie in Rio de Janeiro vastgelegd als de basis van het internationale milieubeleid. Ook op de klimaattop in Parijs is het weer een belangrijk thema. Kooldioxide, methaan en andere broeikasgassen ‘vervuilen’ het klimaat. Dus laat degenen die ze in de atmosfeer dumpen daarvoor betalen. Het liefst zo veel dat de klimaatverandering erdoor tot stilstand komt.

In de praktijk blijkt de vervuiler echter vaak helemaal niet te betalen. Het gevolg is dat de vervuiling gewoon doorgaat, en dat iedereen meebetaalt aan de schade die er door wordt aanricht.

Gezondheidsproblemen door hittegolven, schade aan infrastructuur door overstromingen, mislukte oogsten door droogte – ze kosten heel veel geld en worden mede veroorzaakt door klimaatverandering. Die kosten worden nu opgebracht door de hele samenleving en niet door de veroorzakers.

Een ‘koolstofprijs’ zou dat probleem kunnen oplossen, en hoeft niet eens zo ingewikkeld te zijn. Uit cijfers van de Wereldbank en Ecofys, een consultancy voor duurzame energie, blijkt dat al meer dan veertig landen inmiddels een koolstofprijs kennen – een verdubbeling ten opzichte van 2012. De totale waarde bedraagt dit jaar bijna 50 miljard dollar. Die meeste van die landen heffen belasting over de emissies van broeikasgassen of verkopen emissierechten aan vervuilende bedrijven.

Belastingheffing is eenvoudig, maar volgens critici weinig flexibel. En wie bepaalt de prijs? Emissierechten verkopen is wat lastiger, maar als de rechten worden geveild en bedrijven ze ook onderling mogen verhandelen, ontstaat er wel een ‘marktprijs’.

Verstoppertje

Nederland heeft zich deze week op de klimaattop opgeworpen als voorvechter van een koolstofprijs. Staatssecretaris Sharon Dijksma (Milieu, PvdA) kondigde maandag in Parijs aan dat de regering daarvoor twee miljoen euro beschikbaar stelt. Ze bood bovendien aan om volgend jaar een conferentie over dit thema te houden in Nederland. „Als we eenmaal een wereldwijde koolstofprijs hebben, wordt het onmogelijk om nog verstoppertje te spelen”, zei de staatssecretaris. „Het zou alternatieve vormen van energie, met minder emissies, aantrekkelijker maken.”

De crux van Dijksma’s reactie zit in de toevoeging van het woord ‘wereldwijd’. Als niet iedereen meedoet bestaat het gevaar dat bedrijven uitwijken naar landen die het niet al te nauw nemen met milieuregels. Daarmee is het klimaat niet geholpen en ontstaat er een situatie „waarin je banen exporteert en CO2 importeert”, zoals Tata Steel – een grote vervuiler – het formuleerde in de peiling van deze krant over de verwachtingen voor de klimaattop.

Tata Steel is niet het enige bedrijf dat er zo over denkt. Een ‘eerlijk speelveld’ en duurzame concurrentie vormen voor bedrijven voorwaarden voor een krachtig klimaatbeleid. Als daaraan wordt voldaan zijn ze best bereid een stevige koolstofprijs te accepteren. Al meer dan duizend grote bedrijven hebben zich intussen aangesloten bij de Carbon Pricing Leadership Coalition.

Met een koolstofprijs weet het bedrijfsleven waar het aan toe is en welke investeringen lonend zijn. Niet voor niets werken veel bedrijven daar intern al aan mee – Shell bijvoorbeeld rekent met veertig dollar per ton CO2. Als met die prijs een investering geen winst oplevert, gaat die niet door.

Kooldioxide opslaan is duur

De vraag is hoe hoog de koolstofprijs zou moeten zijn. Dat Shell uitgaat van 40 dollar, is geen toeval. Voor die prijs kunnen olie en gas concurreren met goedkope, maar veel vervuilender steenkool. Dat is voor Shell dus aantrekkelijk. Maar zo’n prijs zou te laag zijn om een dure technologie als het afvangen en onder de grond opslaan van kooldioxide winstgevend te maken. En windenergie op zee is dan nog steeds veel duurder dan olie. Volgens milieuorganisaties zou een prijs van 100 dollar per ton nodig zijn om te zorgen dat alle energie in de tweede helft van deze eeuw duurzaam wordt opgewekt. Nu varieert de koolstofprijs van één dollar in Mexico, tot meer dan 100 dollar in Zweden.

In de EU schommelt de CO2-prijs van het nu al tien jaar oude systeem van emissiehandel rond de acht euro. Veel te laag, roept iedereen, en vooral veroorzaakt door beginnersfouten (het kwistig uitdelen van emissierechten). Maar critici wijzen erop dat ook de economische crisis heeft bijgedragen aan het enorme overschot aan rechten. Dat is meteen een relativering van de marktwerking. Alleen een sturende hand van de overheid kan volgens velen een te lage koolstofprijs corrigeren.