Een schedel lacht, voor eeuwig en altijd

Dodendansjes in Beelden aan Zee. Bij Isa Genzken. In Johan Simons’ Kersentuin.

Urs Fischer, Undigested sunset, 2001-2002 collectie Bert Kreuk

Dood doet leven, ik zie het in het Scheveningse Museum Beelden aan Zee op de expositie Skelet over het geraamte in de hedendaagse beeldenkunst. Goed idee. Het skelet is het meest gebeeldhouwde gedeelte van mens en dier en vis. Ik sluit mijn ogen, want ik zie de klink-klonkende chorus line voor me van The Skeleton Dance. Het is een vermaard tekenfilmpje uit 1929, toen de animatiefilmers van Disney zich nog surrealistisch mochten uitleven. Bekijk het op YouTube, en je weet: het skelet mag ons aller eindigheid beduiden, maar je krijgt er een scheut eeuwigheid bij. Oftewel: een schedel lacht altijd.

Bij Beelden aan Zee zie ik van Joseph Beuys een aanbiddelijk visgraatje. Van Carolein Smit zijn er uitdagende keramiekskeletten. Het mooist vind ik de met groene scarabeeën beklede schedel van Jan Fabre, met een zachtvachtig stinkdier tussen haar tanden – sensueel tot op het bot. De Zuid-Afrikaan Gerhard Marx vervlocht een grote en een kleine ribbenkast met een verbijsterende versie van moeder-met-kind als resultaat. Bouke de Vries laat de dood en het leven vervloeien. Onder zijn handen is een negentiende-eeuws kuikenskeletje uit het ei gekropen en breekt het in één moeite door ook uit zijn glazen stolp – húp, de wijde wereld in.

Ook Isa Genzken, de Duitse durfal aan wier koortsachtige installaties het Stedelijk Museum een groots overzicht wijdt, viel voor de energie van het skelet. Mach Dich hübsch! heet haar tentoonstelling en dat slaat rechtstreeks op haar röntgenzelfportretten op enorm formaat. Haar mooie schedel drinkt, lacht, rookt. ‘Party Pictures’ noemde ze de foto’s. Maar wacht even. Isa Genzken is hier de enige feestganger.

Schoonheid en vrolijkheid zijn loos. Wat al die skeletten consequent hyper maakt, is dat ze net doen of ze níét dood zijn. Maar helaas. Ze kunnen naast elkaar staan of op elkaar liggen. Je kunt hun kaken in elkaar haken, je kunt hun knoken verstrengelen. Er gebeurt niets. Als je dood bent, sta je er alleen voor.

Theatermaker Johan Simons regisseert Tsjechovs De Kersentuin. Het stuk, dat met de regelmaat van de klok wordt uitgevoerd, altijd weemoedig op zijn romantisch-Russisch, laat ons zwelgen in besluiteloosheid. Simons draait het warme sentiment van dit stuk de nek om, en stelt er rauw verdriet voor in de plaats. Deze armetierige adellijke familieleden en hun personeel zijn echo’s van het verleden. Hun tijd is voorbij. Hun dialogen zijn hol, die prachtige zinnen zeggen ze voor zichzelf. Ze zijn spartelende skeletten, krampachtig in de weer om de schijn van leven op te houden.

„Mama, huil je? Mijn lieve, goede, beste mama, lieve schat, ik houd van je”, troost dochter Anja haar moeder Ljoebov. Hoor ik die zin, dan denk ik aan mijn eigen moeder. Tientallen jaren geleden zat ze naast me in de zaal en bij die zin gleed er een traan langs haar wang. Ik besefte dat mijn moeder aan haar eigen moeder dacht. Mijn keel werd dik.

Ik geniet van Simons’ tegendraadse Kersentuin, vooral van Elsie de Brauw als moeder Ljoebov. Prachtig, hoe ze consequent laat doorschemeren dat haar vermogen tot moederliefde is opgedroogd sinds haar zoontje verdronk.

„Mijn lieve, goede, beste mama, lieve schat, ik houd van je”, zegt Anja. Nu rolt de traan langs mijn wang. Die moeder is weg. Ze hoort dit helemaal niet.