Recht & Onrecht

De nieuwe korpschef, Polizeipräsident of Chief-Commissioner?

De politiecolumn | In welke richting wordt de Nationale Politie met de keuze voor een nieuwe korpschef gestuurd: naar het Oosten of het Westen?

De politiecolumn |

Misschien is de keuze al gemaakt, misschien moet de minister de knoop nog doorhakken. In elk geval moet hij, terwijl de aanzwellende parlementaire kritiek op de toestand van politie en justitie met extra geld werd getemperd, zich al hebben gebogen over een zeker zo belangrijke kwestie als het politiebudget: de keuze van een nieuwe korpschef. Wie het ook gaat worden: hij of zij neemt een zware last op de schouders. Maar belangrijker dan de vraag of de kandidaat daartegen opgewassen is, is de vraag in welke richting de Nationale Politie met de keuze wordt gestuurd: naar het Oosten of het Westen.

Aan het ambt van korpschef heeft de vertrekkende Gerard Bouman nog geen helder profiel verschaft. De minister liet hem weinig ruimte om zich te profileren en de twee keren dat hij wel duidelijk naar buiten trad (in reactie op berichten dat politiemensen zelfs in hun privéleven worden belaagd en dat Islamitisch politiepersoneel door eigen collega’s wordt gepest), beperkte hij zich tot een hartenkreet. Hij bouwde zo weinig gezag op maar had dan ook aan management meer te verstouwen dan menig korpschef in een volle ambtstijd.

Zijn opvolg(st)er staat voor een opgave, een Houdini waardig. Terwijl de verbouwing nog volop aan de gang is, zal de nieuwe korpschef meer dan zijn voorganger worden afgerekend op een efficiënte besteding van de financiële middelen. Hij of zij voegt zich bij een staf die volop bezig is de bonte verzameling politie-eenheden aaneen te smeden en te uniformeren terwijl hij of zij voor de aanpak van nieuwe vormen van onveiligheid en de incorporatie van nieuwe technologieën juist ruimte moet geven aan experimenten en aanpassing aan het onbekende. Iedereen zal naar hem of haar kijken voor een uitweg uit de problemen terwijl een politie pas goed tot haar recht komt als de chef elk personeelslid ertoe weet aan te zetten om, vrij naar Bernard Welten, ‘zijn eigen korpschef te zijn’.

Terugvallen op een bestaand profiel ligt daarbij voor de nieuwkomer niet voor de hand. Veel managers in de Nationale Politie voegen zich nog naar de rol van regionaal politiechef, zijn sterk bestuurlijk georiënteerd, zelfstandig, innovatief en gericht op samenwerking met maatschappelijke organisaties. In hun kring werd de crisis in het regionaal bestel ervaren als de ontdekking dat de bazen het vak waren kwijtgeraakt. Naar het nieuwe korps namen zij in reactie daarop de overtuiging mee dat men in het Haagse hoofdkantoor ‘in de operatie’ kan zijn, dat daar hands-on leiding kan worden gegeven. Een schadelijke illusie in het geval van een organisatie van die grootte en complexiteit.

Een passender voorbeeld is het ambt van Algemeen-Inspecteur van de Rijkspolitie waaraan op 1 januari 1994 een einde kwam. Deze functioneerde dicht tegen de minister aan en leidde een nationale organisatie, opgebouwd uit zeventien tamelijk zelfstandige districten. In de politie is dat ambt echter geen levend voorbeeld meer. Slaapwandelend zou de nieuwkomer wel in die rol kunnen vervallen omdat deze nog besloten ligt in het institutionele geheugen van het departement. Maar een oplossing voor de problemen biedt deze niet.

Als wel een keuze wordt gemaakt, zijn er mijn inziens twee opties. Gekozen kan worden voor een buitenstaander met een sterke binding aan de politiek maar ook met stevige managementervaring. Zo iemand beantwoordt aan de reeds ingeslagen weg naar een statelijke politie naar Duits model. De korpschef wordt dan een Polizeipräsident die de organisatie uniformer, hiërarchischer en instrumenteler maakt zodat de formele taken efficiënter worden uitgevoerd en de minister optimaal wordt bediend. Op korte termijn houdt zo’n chef te kampen met het bestaande gebrek aan vertrouwen van het personeel en de afhankelijkheid van de politiebonden. Als hij weet te voorkomen dat zijn ijveren de leemlaag in de organisatie verder doet aangroeien, als hij dus werkelijk succes zal boeken, zal het op lange termijn echter moeilijk zijn om de recherche (die vanwege haar werkproces anders moet worden gemanaged dan de rest van de organisatie) binnenboord te houden.

Er is ook een andere, Engelse optie: de minister kiest voor een charismatische politiechef die wel is opgegroeid in het regionale bestel, zich los weet te maken van de operationele romantiek en de innovatieve, publieksgeoriënteerde leiderschapsrol nieuw leven weet in te blazen en biedt hem of haar de ruimte om de beschadigde vertrouwensband met het personeel te herstellen en een aansprekende visie op de toekomst uit te dragen. Kortweg: een Chief Commissioner zoals de London Metropolitan Police die kent. Zo’n chef kan de basisteams meer speelruimte verschaffen, deze zichtbaar maken voor burgers en innovatie bevorderen. Wel staat hij met de minister voor de lastige taak de politie af te schermen van de alledaagse hectiek van de media en de landelijke politiek. Het zal hem of haar ook veel moeite kosten het vertrouwen te behouden als met alle openheid meer gebreken bekend worden. Maar zo’n korpschef biedt de politie wel meer toekomst.

Guus Meershoek  is lector Politiegeschiedenis aan de Politieacademie en universitair docent Bestuurskunde aan de Universiteit Twente. De Politiecolumn wordt afwisselend geschreven door deskundigen uit het politieveld.

Blogger

Guus Meershoek

Guus Meershoek studeerde politicologie aan de Universiteit van Amsterdam, is lector Politiegeschiedenis aan de Politieacademie en universitair docent Bestuurskunde aan de Universiteit Twente. Hij publiceerde over verleden en heden van de Nederlandse politie.