Afzetting dreigt voor president Dilma Rousseff van Brazilië

De oppositie begint een afzettingsprocedure tegen de president. Het leidt tot politieke instabiliteit.

„Laten we rustig afwachten en blijven geloven in de democratische rechtsstaat en de kracht van onze instituties. Nooit heb ik geld van de overheid gebruikt voor eigen politieke zaken.”

Woorden van de Braziliaanse president Dilma Rousseff op een persconferentie gisteravond nadat bekend was geworden dat parlementsvoorzitter Eduardo Cunha instemde met het verzoek van de oppositie voor het starten van een afzettingsprocedure. Al maanden roepen Rousseffs tegenstanders, die haar verantwoordelijk achten voor de economische crisis en de perikelen rondom het grote corruptieschandaal bij staatsoliebedrijf Petrobras, om haar aftreden.

Een wettelijke basis voor een afzettingsprocedure ontstond in oktober toen de Rekenkamer oordeelde dat de overheidsbegroting van 2014 en 2015 niet klopte. Fiscale wetten zouden niet zijn nageleefd en overheidsgeld zou zijn gebruikt voor persoonlijke politieke doeleinden onder meer voor politieke campagnes van Rousseff' Arbeiderspartij (PT).

De machtige parlementsvoorzitter Eduardo Cunha, een gezworen tegenstander van Rousseff, greep zijn kans. Terwijl Cunha zelf notabene betrokken is bij de Petrobras corruptiezaak en voor minstens 5 miljoen dollar aan smeergeld zou hebben weggesluisd naar Zwiterse bankrekeningen.

Of het echt zo'n vaart zal lopen met het afzetten van Rousseff, is nog maar de vraag. Eerst moet het congres beslissen verder te gaan met impeachment. Om tot afzetting over te gaan is vervolgens een tweederde meerderheid nodig, oftewel 342 van de 513 stemmen.

Na vandaag begeeft Brazilië zich in een nieuwe, politiek instabiele fase en de vraag is of dat het land ten goede komt. Tot 2013 was het grootste land van Latijns-Amerika nog een booming economie, nu gaat het gebukt onder een zware crisis, met hyperinflatie en toenemende werkloosheid.