Column

Achterkamertjes

Het zal u niet zijn ontgaan: in Parijs is de grootste klimaattop ooit begonnen. De aftrap is gegeven door de wereldleiders, maar de echte onderhandelingen, lees en hoor ik, zullen plaatsvinden in de achterkamertjes en de wandelgangen.

Van onderhandelingen in wandelgangen kan ik me gemakkelijk een voorstelling maken. In het NOS Journaal komt vrijwel dagelijks een politicus in beeld die bij de Tweede Kamer op de gang wordt geïnterviewd. Wat me dan opvalt, is dat je op de achtergrond, elders in de gang, vrijwel altijd andere politici met elkaar ziet praten of smoezen, meestal in groepjes van twee of drie. Misschien verbeeld ik het me, maar ik heb de indruk dat daarmee min of meer per ongeluk een essentieel onderdeel van onze democratie wordt vastgelegd: gepolder in de Corridors of Power, zoals C.P. Snow het in 1963 in een boektitel noemde.

Onderhandelingen in achterkamertjes zullen net zo essentieel zijn, maar inmiddels gaat het hierbij voornamelijk om beeldspraak, want de meeste hedendaagse achterkamertjes zijn nette vergaderzalen met microfoons. Van wanneer dateert die beeldspraak? Heeft achterkamer nog meer betekenissen dan een achteraf gelegen kamer?

Om met dit laatste te beginnen: ja, in sommige dialecten wordt achterkamer gebruikt voor ‘achterste, kont, reet’. Volgens het Woordenboek der Nederlandsche Taal, het wetenschappelijke woordenboek van het Nederlands, is een achterkamer simpelweg een ‘kamer in het achtergedeelte van een huis’, maar „wanneer het verkl. achterkamertje gezegd wordt van de eenige kamer, die iemand tot woonvertrek dient, dan is daaraan veelal het bijdenkbeeld verbonden van een bekrompen of ongezellig verblijf”.

En inderdaad: vanaf het begin van de negentiende eeuw komen we in allerlei bronnen armoedige, vochtige of „bekrompen, donkere achterkamertjes” tegen, bijvoorbeeld als onderkomen van arme arbeiders of van tobbende studenten.

De relatie tussen achterkamertjes en politieke onderhandelingen lijkt veel jonger. Het vroegste voorbeeld vond ik in een krant uit 1931: „In het achterkamertje van de politiek worden onder de oogen van de arbeiders de stemmen geteld.”

Interessant is dat de samenstelling achterkamertjespolitiek door politici zelf lijkt te zijn geïntroduceerd. Dit woord is in 1975 voor het eerst aangetroffen, in de Handelingen van de Eerste Kamer. Bij mijn weten is het voor het eerst gebruikt door Constant van Waterschoot, indertijd lid van de Eerste Kamer voor de Politieke Partij Radicalen. „De coördinatie van het monetaire beleid van de slang-landen komt tot stand in frequent informeel overleg, zoals het heet. Wij noemen dit ‘achterkamertjes-politiek’”, zei Van Waterschoot op 27 mei 1975 in een debat.

Sindsdien zijn er allerlei samenstellingen met achterkamertjes ontstaan. Naast achterkamertjespolitiek vermeldt de Grote Van Dale achterkamertjescultuur en achterkamertjesoverleg. Politici verzinnen graag nieuwe woorden en uitdrukkingen, in de hoop dat zij er in de media mee kunnen scoren. De afgelopen decennia hebben zij dat onder meer geprobeerd met achterkamertjesgebeuren, achterkamertjeslectuur, achterkamertjesbesluit en achterkamertjessof. In 1993 probeerde een Kamerlid te scoren met het woord achterkamertjeszonde, wellicht met een knipoog naar het boek Kamertjeszonde van Herman Heijermans. Het zal wel geen toeval zijn geweest dat achterkamertjeszonde werd gelanceerd door een Kamerlid van het CDA.