Abstracte religie

In de Oude Kerk in Amsterdam laat Germaine Kruip zes kunstwerken zien die subtiel ingrijpen in de architectuur.

Germaine Kruip, Geometry of the Scattering in de Oude Kerk in Amsterdam

Laten we even verheven doen. Germaine Kruips nieuwe solo is te zien in de Amsterdamse Oude Kerk en wie daar binnen loopt, snapt meteen dat Kruip een probleem heeft. Zoveel ruimte. Zoveel licht. Zoveel indrukken: het prachtige houten gewelf, de enorme hoeveelheid natuurlijk licht, de sobere post-beeldenstormiaanse inrichting, het grootse orgel, de directe suggestie van onthechting en verheffing. En de ruimte... Zelden ervaar je in Amsterdam zo veel publieke overdekte ruimte als in de Oude Kerk – ruimte waarin je wilt verdwalen, waarin je je vanzelfsprekend klein en nietig voelt, ruimte waarin je met je armen wilt gaan wapperen om op te stijgen...

Oh ja, Germaine Kruip.

Als je in de kerk naar haar werk op zoek gaat, besef je dat Kruip al snel moet hebben besloten de concurrentie met de ruimte niet aan te gaan. Niet alleen omdat die strijd toch niet te winnen is, maar om een andere, veel belangrijker reden: Kruip houdt er in haar werk opvallend veel van dezelfde ambities op na als de scheppers van de Oude Kerk. Je zou het in deze tijd, waarin de christelijke beeldtaal en -cultuur nogal in de marge zijn beland, bijna vergeten, maar het licht en de ruimte waarin je je baadt in deze kerk werden toch echt geschapen ter stimulering van de religieuze ervaring. Lopend door het ruimte, in het licht, maakte je je los van het leven van alledag en werd je meer ontvankelijk voor andere, nieuwe beelden en ervaringen – een bijna abstracte vorm van verheffing die in het Nederlandse christendom vervolgens werd ingevuld met God, Jezus, schuld en boete. Maar, en dat is het mooie, diezelfde onthechting kun je in de kerk ook gebruiken om de toeschouwer een andere verheffende richting op te sturen – abstracter, algemener. En dat is precies wat Kruip hier lijkt te willen doen.

Dat wordt nog duidelijker als je weet dat Kruip al een tijdje werkt aan een project dat ze A Possibility Of An Abstraction noemt. Daarin onderzoekt ze hoe basale geometrische vormen als cirkel, vierkant en driehoek terugkomen, in allerlei culturen en religies (christendom, hindoeïsme, noem maar op), op allerlei manieren, met verschillende betekenissen en associaties. De gedachte daarachter is natuurlijk dat zulke geometrische vormen een verheven, algemene waarheid vertegenwoordigen, een hogere platoonse werkelijkheid die we in het leven van alledag zelden ervaren, maar die wel degelijk universeel is en de hustle and bustle van de alledaagse culturen overstijgt en de mens misschien zelfs wel beter kan maken – niet voor niets waren de vroege modernisten in sociaal opzicht meestal onvervalste idealisten. Zo bekeken is het werken met abstractie ook gewoon een soort religie: je maakt je los van de wereld van alledag en zoekt naar een betere, universele wereld die voor iedereen gelijk is en begrijpelijk. En is de combinatie van Kruip, haar fascinatie voor abstractie en deze kerk volkomen vanzelfsprekend.

Maar daarmee heeft Kruip het probleem van de overweldiging in de kerkruimte nog niet opgelost. En, laten we eerlijk zijn, daarin slaagt ze ook niet volledig, maar haar poging zet wel aan tot denken. Kruip maakte zes werken voor de Oude Kerk, die allemaal subtiel ingrijpen in de bestaande dynamiek. De opvallendste is een geluidswerk: een uitvoering van de sobere, monotone, en daardoor nogal ontregelende compositie The Entrance (1966) van Robert Ashley die traag en monotoon door het gewelf dreunt – Kruip heeft daarmee de regels van het reguliere kerkbezoek aangepast. Daarmee wijst ze naar de andere, minder nadrukkelijk aanwezige werken: een daglichtlamp die in een zijkamer in 24 uur om zijn as draait, een privérondleiding door de kerk waarin over de architectuur en de (kunst)geschiedenis wordt verteld en een ‘ingreep’ waarbij Kruip al het kunstmatige licht uit de kerk liet verwijderen, zodat Gods licht nu in alle vrijheid over Gods stenen kan vloeien.

Dan zijn er nog twee werken die nadrukkelijk verwijzen naar de spanning tussen materiaal en transitie. Allereerst een prachtig ranke zuil van wit marmer, opgebouwd op losse stukken die de verschillende stadia van transitie van vierkant naar cirkel representeren en die (achttien meter hoog!) door het Oude Kerk-dak heen priemt – Kruip verwijst er onmiskenbaar mee naar het concept van de ‘eeuwige zuil’: in de beeldhouwkunst al een klassieker sinds Brancusi. Goed is ook de installatie van tien spiegels (die toch al nooit hetzelfde zijn): elk vertegenwoordigt een volgend stadium in de verandering van vierkant (via vijfhoek, zeshoek, etcetera) naar cirkel.

Alleen: met deze spiegels (gemaakt volgens een rijke traditie in Aranmula, India) verwijst Kruip ineens óók naar het hindoeïsme en de Derwish-traditie. Dat verband komt nogal uit de lucht vallen, vooral omdat het niet erg past bij de Oude Kerk en het protestantisme. Ineens besef je daardoor ook dat Kruip op deze bijzondere locatie net te krampachtig aan haar eigen oeuvre heeft vastgehouden. De tentoonstelling was spannender geweest als ze radicaler had durven zijn: óf ze had er nog meer een oeuvreoverzicht van moeten maken (met de kerk als bijzondere, maar anonieme locatie) of ze had juist de teugels tussen hedendaagse kunst, modernisme, abstractie en (christelijke) religie nog veel strakker moeten aantrekken.

Juist op deze rijke, krachtige plek.

Haar voorzichtigheid siert Kruip, het klopt ook met haar ideeën, maar als je de Oude Kerk verlaat, hou je het gevoel dat de traditionele religie haar artistieke visie heeft overvleugeld. Meer Kruip was nog beter geweest.