Column

1998

De klimaattop gaat nergens heen, de EU begint steeds dictatorialer trekjes te krijgen, Peter Jan en Virginia zijn uit elkaar, kortom: het zijn dagen grauw als asfalt. Zelfs de mevrouw die bij het station elke dag tegen voorbijgangers roept dat Jezus van ze houdt, begon met de dag chagrijniger te kijken, zo van gatverdekutver, stomme heidenen, ga verdomme nou die Bijbel eens lezen.

Somber strompelde ik naar huis, barricadeerde de voordeur, stak een XL geurkaars aan. Het leek wel of die decemberdip ieder jaar erger werd. Ik herinnerde me de winter van 1998, ik was zestien, had leuke vrienden, lieve ouders, school ging prima, roken begon eindelijk een beetje lekker te worden. Waarom kon ik toen wel tegen december, en nu niet meer?

Ik haalde een hendel over. Vanachter de haard kwam de geheime boekencollectie tevoorschijn. Het merendeel bestaat uit de dagboeken die ik sinds mijn tiende bijhoud. Ik begon erin te grasduinen in de hoop te ontdekken wat in de donkere dagen van 1998 de truc was. Het eerste stuk dat ik tegenkwam dateerde van 1 december: ‘Ik wou dat iemand me redde uit de dagelijkse sleur van de realiteit.’ Oei. Misschien moest ik net ongesteld worden. Bladerdeblader, 15 december: ‘…ik haat vrolijke mensen. Het zijn natte honden die hun stinkende vacht het liefst te midden van zoveel mogelijk anderen uitschudden.’ Al lezend bleek die hele winter een aaneenschakeling van zwarte gaten. Mijn grote liefde Maarten was een eikel, mijn vriendengroep een boeket narcisten, mijn ouders begrepen me zo slecht dat ik voortijdige dementie vermoedde et cetera.

In mijn herinneringen stond die winter juist bol van melige feestjes, de euforie van eindelijk een beha nodig hebben en met een bakje chips op de bank naar RTL 4 kijken. In werkelijkheid lag ik hoofdzakelijk voor dood in bed.

Hoe kwam ik dan aan het idee dat het toen op zijn minst wel oké ging? Dat kon niet louter nostalgie zijn.

Misschien, dacht ik, fuckt ons geheugen ons wel. Is dat een soort op hol geslagen zelfbescherming, die ons alleen de leuke dingen uit het verleden laat onthouden, en de zwartste dagen meteen uit de opslag schopt. Misschien was dat een soort evolutie. Anders had onze soort er echt allang een einde aan gemaakt.

Het betekende in ieder geval dat ik deze dag niet ga onthouden. Al zou de dag, op het moment dat ik dat bedacht, nog zeker zeven uur duren. Ik keek in de spiegel. Mijn hoofd zat alweer een stuk leuker. En ik wist dat ik dat dus wél zou meenemen uit de winter van 2015.