Ze deden het gruwelijkste werk

Son of Saul, volgens sommigen de beste Holocaustfilm ooit, gaat over Sonderkommando’s in Auschwitz. Er waren daar ook Nederlandse Sonderkommando’s. Uit hun vrijwel onbekende verhaal blijkt dat de film gruwelijk dicht bij de werkelijkheid komt.  

Een berg schoenen in een ruimte van het voormalige concentratie- en vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau.

‘Onze taak was het begraven van duizenden vergaste mannen, vrouwen en kinderen in massagraven. De crematoria waren nog niet klaar en de mensen werden vergast in een witte boerderij in het bos. Van een afstand konden we naakte mensen zien die er naar binnen gingen. Ik heb zelf honderden lichamen van Joodse mannen, vrouwen en kinderen gedragen en heb tienduizenden lijken gezien.” Dit schreef de Joodse Amsterdammer Maurice Schellekes in 1981 in zijn memoires. Voor de oorlog een sportieve jongen uit een niet-religieus gezin. Hij was kleermaker, net als zijn vader. Tijdens de Holocaust zat hij – op 19-jarige leeftijd – gevangen in Auschwitz. 

Hetzelfde overkwam de 21-jarige Josef van Rijk uit Scheveningen. Voor de oorlog was hij medewerker van de Bijenkorf en dienstplichtig militair, in Auschwitz moest hij de gaskamer leeghalen. In een interview uit 1995 met het Shoah Foundation Institute beschreef hij wat hij zag: „Een ineengestrengelde massa mensen – kluwen mensen – die alleen uit elkaar te halen waren door ze vochtig te maken. Door gewoon te trekken haalde je de lichamen eruit, alsof het een stel beesten was. Met afschuw hebben we dat gedaan, een paar dagen, maar toen waren we het al gewend.”

Schellekes en Van Rijk waren in augustus 1942 een maand lang lid van het Sonderkommando van Auschwitz-Birkenau. Deze bijzondere groep nazislachtoffers is het onderwerp van de film Son of Saul, die onlangs uitkwam en de Grand Prix op het filmfestival van Cannes won. Het verhaal volgt een Hongaarse Jood die zich ontfermt over een dode jongen – zijn zoontje, denkt hij. Te midden van de op volle toeren draaiende vernietigingsmachinerie, besluit hij zijn zoontje volgens de Joodse traditie te begraven.

Sonderkommando’s haalden de gaskamers leeg. Ze schoren de slachtoffers het haar af. Ze trokken hun gouden tanden uit. En ze verbrandden hen in ovens of verbrandingskuilen. Daarom golden ze na de oorlog als collaborateurs. Kampoverlevenden geloofden dat er sprake was van een overeenkomst tussen Joden en de SS. De Joodse Sonderkommando’s zouden akkoord zijn gegaan met gruwelijk werk en in ruil daarvoor leefden zij onder betere omstandigheden, met voldoende eten en alcohol. Pas nadat historici serieuze aandacht voor hun lot kregen, bleek deze opvatting volstrekt onjuist.

Zelfmoord of overleven?

Het moorden werd altijd en alleen gedaan door de SS-Totenkopfverbände. Fysiek sterke Joodse mannen kwamen zonder hun instemming in het Sonderkommando terecht. Ze werden direct geconfronteerd met een levensloze mensenmassa. De keuze die de mannen hadden, was zelfmoord plegen of overleven en het afschuwelijkste werk uitvoeren. Na de eerste schok restte niets anders dan werken onder de levensbedreigende dwang van de SS. Weinig mannen pleegden zelfmoord, de wil om te overleven was groter.

Maurice Schellekes vertelde over zijn eerste dag in het Sonderkommando: „De SS liet ons een paar kilometer rennen. Ze sloegen ons onafgebroken en joegen met honden achter ons aan. Sommige gevangenen werden vreselijk toegetakeld. Toen we aankwamen op een open plek nabij het bos, hing er een bitterzoete geur in de lucht. Vervolgens sloeg de SS ons een kleine heuvel op. Ik besefte me dat deze heuvel losse aarde was, geschept uit de grond waar nu een massagraf was. Het lag vol met rijen van lichamen van vrouwen bedekt met ongebluste kalk. Het was zo een verschrikkelijk gezicht. Woorden kunnen het simpelweg niet beschrijven.”

Onder de ongeveer tweeduizend Sonderkommando’s bevonden zich tussen 1942 en 1945 zo’n honderd Nederlanders. Joodse mannen, twintigers en dertigers, uit plaatsen als Den Haag, Scheveningen en Amsterdam. Slechts twee overlevenden van het Sonderkommando hebben officiële ooggetuigenverslagen achtergelaten. De meeste mannen zijn omgekomen. Soms spraken Holocaustoverlevenden in ooggetuigenverslagen over omgekomen kennissen en vrienden in het Sonderkommando. In Nederland leek niemand geïnteresseerd. Het verhaal van de Nederlandse Sonderkommando’s was zo goed als onbekend.

Hij vond zijn eigen zoon

De trompettist Levi Bannet speelde in een van de orkesten in Auschwitz en trad zo op voor het Sonderkommando. Hij mocht op bevel van de SS niemand van het Sonderkommando spreken, maar dit gebeurde toch. Hij sprak met Waterman en Van Kleef – hun voornamen en lot zijn onbekend. Zij kwamen eind 1942 in het Sonderkommando terecht.

De twee mannen waren aanwezig bij de aankomst van Joodse psychiatrische patiënten uit Het Apeldoornsche Bos. In januari 1943 besloot de Duitse bezetter deze Joodse psychiatrische inrichting te ontruimen en het personeel en patiënten naar Auschwitz te deporteren. Omdat ze onbruikbaar waren voor slavenarbeid in het kamp, stuurde de SS de geesteszieken direct naar de gaskamers. Bannet vernam van Van Kleef en Waterman dat deze Joden door de SS levend in crematiekuilen werden verbrand. Onder het bevel van SS-officier Otto Moll was het levend verbranden van mensen, voornamelijk kinderen, niet ongebruikelijk.

Eén van de zwaarste ervaringen voor leden van het Sonderkommando was de confrontatie met familieleden. Dat Son of Saul dicht bij de werkelijkheid zit, blijkt uit het verhaal van Samuel Zoute die in oktober 1943 in Auschwitz terechtkwam. De 35-jarige Zoute verkocht in de vooroorlogse jaren op de Albert Cuypmarkt groente en fruit. Bij aankomst in het vernietigingskamp werden zijn vrouw en drie kinderen direct vergast. Alleen zijn oudste zoon Maurits werd geselecteerd voor arbeid in het kamp. Samuel Zoute belandde in het Sonderkommando. Zoute sprak in Auschwitz met Sam de Hond, een Joodse Amsterdammer die voor zijn gevangenschap Joodse families uit de Hollandsche Schouwburg smokkelde en hen zo bevrijdde. Samuel Zoute vertelde dat hij zijn eigen zoon Maurits tussen de vergaste lichamen terugvond en hem toen eigenhandig heeft moeten cremeren.

Jacob Beesemer, een 18-jarige Amsterdammer uit een gezin met zes kinderen, werd tegelijkertijd met Zoute voor het Sonderkommando geselecteerd. Zijn zes jaar oudere broer Abraham kwam een maand later in Auschwitz aan. Jacob herkende zijn broer in de groep mensen die bestemd was voor de gaskamer. Jacob is toen naar een SS-onderofficier gegaan, en heeft hem overgehaald om het leven van zijn broer te sparen. Zo belandde ook Abraham in het Sonderkommando. De zwager van de Beesemers, Simon Peereboom, mocht het Sonderkommandoblok betreden mits hij etenswaren zoals worst of margarine meenam. Hij sprak daar ook andere Nederlanders in het Sonderkommando. De Nederlanders vormden een eigen groep.

Die groep bestond verder uit de Amsterdammers Joseph Peperwortel, Salomon van Sijs en Louis Elzas. Dat zij in het Sonderkommando zaten, weten we van een man die in hetzelfde transport zat. Peperwortel, Van Sijs en Elzas werkten samen met de broers Beesemer bij Crematorium III. Dit was een moordfabriek. Compleet met drie gaskamers, een omkleedruimte waarin de slachtoffers zich voor vergassing uitkleedden en ovens waarin de lijken werden verbrand.

Volksliederen zingen voor de executie

Op 7 oktober 1944 begon het Sonderkommando van Crematorium III met geïmproviseerd wapentuig en explosieven een opstand. Drie SS’ers kwamen om het leven. Maar de gevangenen maakten geen schijn van kans tegen de overmacht van de SS. Op die dag zijn 451 Sonderkommando’s op de vlucht, tijdens de strijd of door executie gedood. Een Nederlandse vrouw die dicht bij Crematorium III werkte, zag en hoorde aan de andere kant van het prikkeldraad de Sonderkommando’s vlak voor hun executie volksliederen zingen. Samuel Zoute, die in een ander crematorium werkte, overleefde de opstand. Peperwortel, Van Sijs, Elzas en de broers Beesemer kwamen om.

In januari 1945 werd Auschwitz door het oprukkende Sovjetleger geëvacueerd. Te voet vertrokken Schellekes, Van Rijk en Zoute in de zogenaamde dodenmarsen naar concentratiekampen in Duitsland en Oostenrijk. In Mauthausen stierf Samuel Zoute vlak voor de bevrijding door ziekte of uitputting.

De zoon van Maurice Schellekes vertelt dat zijn vader, die in 1988 op 65-jarige leeftijd overleed, na de oorlog last had van trauma’s en angsten. Ondanks alles stond Schellekes positief in het leven: hij had een liefdevol huwelijk, was voorzanger in een liberale synagoge en vond rust in zijn geloof. Hij sprak ook graag met jonge Duitsers, want die hadden volgens hem toch niks met de oorlog te maken gehad.