Column

Welkom in Amsterdam

Even kreeg ik deze week een andere kant van Nederland te zien, een meer sympathieke, gastvrije kant. We weten dat die er is, maar hij krijgt wel erg weinig publiciteit. Het gebeurde in Amsterdam, waar bewoners van de stadsdelen Centrum en West konden meepraten over de vestiging van een noodopvanglocatie voor vluchtelingen aan de Marnixstraat, grenzend aan de Jordaan.

Meepraten – niet meebeslissen. B en W hadden al eerder besloten vanaf half december nieuwe locaties voor noodopvang in te richten. Eén van deze locaties is de Groenhof, een plek waar nu een tijdelijk verzorgingstehuis gevestigd is. Het is een groot, uit kunststof opgetrokken gebouw dat over een poosje tegen de vlakte zal gaan. Tot die tijd – een maand of acht – zullen er op 167 kamers 350 à 400 vluchtelingen (vooral gezinnen) worden gehuisvest. Ze komen vooral uit Syrië, maar ook uit landen als Eritrea, Afghanistan en Irak.

Geen sinecure voor de toch al dichtbevolkte, aangrenzende buurten. Ik proefde dan ook enige voorzichtigheid in de uitnodiging voor de informatieavond. Je moest tevoren je naam opgeven, die bij de ingang werd gecontroleerd. Liever geen ‘Steenbergense’ toestanden in Amsterdam, daar zit burgemeester Van der Laan niet op te wachten.

De avond die zich vervolgens in het theater van Boom Chicago aan de Rozengracht voltrok, had bijna iets onwerkelijks. Voor wantrouwige PVV’ers zal het één grote politiek-correcte bedoening zijn geweest; de vragen vanuit de zaal aan de autoriteiten en hun ambtenaren zullen hun bizar in de oren hebben geklonken.

„Is er wel continuïteit in de psychiatrische zorg voor de vluchtelingen?”, vroeg een man. Die was er. „Kan Amsterdam niet méér doen?”, vroeg een vrouw; zij vond 1.500 mensen in de noodopvang nogal weinig voor zo’n grote stad. Applaus was haar deel. Wethouder Kajsa Ollongren (o.a. economie, kunst en cultuur) legde uit dat geschikte locaties ook in een stad als Amsterdam schaars zijn.

„Hoe komen de peuters op school?”, wilde iemand weten. Het vervoer bleek al geregeld. Aan het slot vroeg een vrouw onder luid applaus: „Komt er nog een welkomstfeestje?” Het was kennelijk de enige vraag waarop de bestuurders zich niet hadden voorbereid, want een antwoord bleef uit.

Ik stelde me even voor met hoeveel walging Geert Wilders zo’n avond zou hebben gevolgd. Al zijn vooroordelen over die verfoeilijke, decadente, aan zelfverdwazing ten prooi gevallen grachtengordel zou hij bevestigd hebben gezien: „Het moet niet gekker worden!” Daar, aan die lelijke Marnixstraat, werd zijn westerse, christelijk-joodse beschaving ten grave gedragen. „Hoe vaak heb ik hier al niet voor gewaarschuwd, mevrouw de voorzitter?”

Maar op deze avond zat zijn aanhang nauwelijks hoorbaar in de zaal. Er was maar één vraag over Amsterdammers die zelf op een woning zaten te wachten. Misschien waren de tegenstanders thuisgebleven omdat er al beslist was, misschien zagen ze op tegen een confrontatie met goed opgeleide yuppen.

Op deze bijeenkomst stonden de vluchtelingen centraal, niet de bewoners. We hoorden dat ze met hun gezin zullen moeten leven in kamertjes van 16 vierkante meter, en dat ze wel te eten, maar geen geld krijgen. Maar er is voor hen één troost: er hebben zich al 5.000 vrijwilligers opgegeven om hen bij te staan.

5.000! Alsof Amsterdam wil zeggen: zo kan het ook.