Verborgen geschiedenis van een tragische straat

De Beethovenstraat blijkt veel meer verhalen in zich te hebben dan die we al kenden.

Een man om wie in Nederland nog altijd „een mist hangt”. Zo omschreef Louis van Gasteren zichzelf onlangs in deze krant nadat bekend werd dat de Universiteit van Amsterdam (UvA) de 93-jarige cineast, vanwege diens moord op een Joods-Duitse onderduiker, te controversieel acht voor een eredoctoraat. Voor wie de mist enigszins wil laten optrekken: lees Frank van Kolfschootens De Beethovenstraat. Verborgen geschiedenissen. In dit recent verschenen boek, de uitgebreide versie van het in 1997 verschenen De koningin van Plan Zuid van dezelfde auteur, staat minutieus de origine beschreven van een kwestie die na 72 jaar nog niet is afgerond.

Dat verhaal speelt zich dus af in de Beethovenstraat, de straat die al snel na oplevering in de jaren ’20 van de vorige eeuw uitgroeit tot de belangrijkste winkelstraat van Berlages Plan Zuid, de stadsuitbreiding ten zuiden van het centrum van Amsterdam. Het succes van die straat loopt door tot ver na de Tweede Wereldoorlog. Zo schreef een Parool-journalist in 1970 dat „nergens in Amsterdam of Nederland zo’n grote voorraad exclusief voedsel ligt opgeslagen als in de Beethovenstraat”. Van Kolfschooten: „Wat de P.C. Hooftstraat te bieden had aan couture, bood de Beethovenstraat op voedselgebied.”

Maar de Beethovenstraat is volgens Van Kolfschooten ook een „tragische straat”, onder andere door de zaak Van Gasteren. Dat begint op 19 mei 1943. Op die dag belt de 37-jarige Joods-Duitse Walter Oettinger aan bij Beethovenstraat 146-3. Oettinger, fysiek beperkt als gevolg van kinderverlamming, is op zoek naar een onderkomen nadat zijn neef Johann en diens vrouw zich daags daarvoor van het leven hebben beroofd. De bewoner van 146-3, de 20-jarige elektricien Louis van Gasteren, is bereid onderdak te verlenen. Tien dagen later wordt het naakte lichaam van Oettinger gevonden in een kist, dobberend in een nabijgelegen slootje.

Uit het politierapport blijkt een worstelpartij tussen beide mannen op 24 mei te eindigen in de badkamer. En daar valt Oettinger met zijn hoofd op de badrand. Een fatale val, verklaarde Van Gasteren tegen de politie: „De val kwam zo hard aan dat ik zijn hoofd hoorde kraken.” Hij wordt in 1944 tot vier jaar cel veroordeeld, maar krijgt in 1946 gratie. Van Kolfschooten weigert zich, wijselijk genoeg, over de zaak uit te spreken. Maar roofmoord – een ooggetuige zag opgedroogde bankbiljetten in Van Gasterens werkbureau – is nooit bewezen, net als Van Gasterens claim dat het een verzetsdaad betrof.

Op mensen die de Beethovenstraat goed kennen, of er zoals ik gewoond en gewerkt hebben, zal Van Kolfschootens straatgeschiedenis een verbluffende indruk maken.

Eindelijk las ik in De Beethovenstraat het verhaal over de 29 gefusilleerde verzetsmensen die nu nog worden herdacht met een monument op de hoek Apollolaan-Beethovenstraat. En dan zijn er de wonderlijke verhalen waar geen enkel monument aan herinnert: de vooroorlogse antipathie tegen de hooghartige Duitse Joden („Bei uns war alles besser”) in een compleet verduitste Beethovenstraat, de naoorlogse klachten van Amsterdammers dat ‘hun Jood’ was teruggekeerd, het Britse bombardement op een SS-kantoor in de nabijgelegen Gerrit van der Veenstraat. Geschiedenis schrijven vanuit het perspectief van een straat lijkt een beperking, maar Van Kolfschooten bewijst dat het de geschiedenis – ook dankzij de vele prachtige archieffoto’s – nog tastbaarder en invoelbaar kan maken.

Wat beklijft zijn de cijfers over de Jodendeportatie. Uit De Beethovenstraat blijkt namelijk dat we voortaan ‘Tramhalte Beethovenstraat’ samen met de Hollandsche Schouwburg moeten gaan beschouwen als dé symbolische locaties van de Amsterdamse Jodendeportatie. Want ook vanuit de Beethovenstraat werden 18.000 Joden op transport gesteld. Dat zijn gegevens om stil van te worden. En nieuwsgierig maken naar de verhalen die andere belangrijke Amsterdamse straten te vertellen hebben.