Spreekwoorden aan een touwtje

Congolezen uit België komen samen om te praten over hun ‘spreekwoordenkoord’. Een soort moreel kompas dat nooit af komt.

Elk voorwerp aan het koord staat voor een spreekwoord.

Uit heel België zijn ze naar het Musée des Arts Contemporains in Mons gekomen. Een groep Congolezen uit het oosten, die zichzelf rekenen tot de tribale groep van de Lega. Ze leven in exodus, verspreid over België, behalve een stamoudste en kenner van de Legacultuur die in Engeland woont en speciaal voor de gelegenheid uit Londen kwam. Beeldend kunstenaar Sarah van Lamsweerde heeft dit gezelschap uitgenodigd met een speciale reden. In het museum wordt een mutanga, een zogeheten spreekwoordenkoord, tentoongesteld.

Ik zag in de loop van decennia talloze houten maskers van de Lega. Die waren, net als deze mensen, ver van huis afgedwaald en vonden hun voorlopige bestemming in een museum, kunsthandel of particuliere collectie. Maar van een spreekwoordenkoord had ik nooit gehoord, laat staan dat ik er in Oost-Congo, waar ik in de jaren tachtig enige tijd heb rondgereisd, of in het westen, een zou hebben gezien. Van Lamsweerde had het koord aangetroffen in het depot van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in Tervuren. Het had daar sinds het einde van de Belgische overheersing (1959), of wellicht nog veel langer, onopgemerkt in een lade gelegen. Het koord is enkele meters lang en behangen met objecten, kleine beelden en vouwsels van plantaardig materiaal.

Van Lamsweerde wilde er graag meer van weten, en misschien zelfs een eigen werk maken als het koord haar daartoe zou inspireren, maar ze kwam er al snel achter dat de geschreven informatie over deze koorden tamelijk summier is. Er bestaan wel enkele publicaties zoals Lega Proverbs. D.R.Congo uit 2010 van Dr. Sim Kilosho Kabale en Dr. Baalamo, maar ze wilde meer weten, en vooral ervaren, dan daarin te vinden is. Ze besloot daarom zoveel mogelijk Lega in België op te sporen en te polsen of ze ervoor zouden voelen het koord te zien en erover te vertellen. Tot haar verrassing waren vrijwel alle genodigden direct bereid deel te nemen aan de performance-achtige bijeenkomst – het moest vooral niet blijven bij een vriendelijk kringgesprek – die bedoeld was om het koord te reanimeren. Een manier om hun cultuur levend te houden, waaraan ze groot belang hechten.

Oorschelp tegen oorschelp

In de kantine van het museum in Mons is de stemming op deze zaterdagmiddag uitgelaten. De genodigden begroeten elkaar, allen Lega, op enkelen onder wie van Lamsweerde zelf na. De mannen drukken heel even een oorschelp tegen de oorschelp van de ander, een wijze van begroeten die ik nooit eerder zag. Horen zij de wind blazen over het Tanganyikameer? Je krijgt de indruk dat het weerzien van oude bekenden of dierbaren de middag een voor buitenstaanders niet navoelbare extra dimensie geeft. Sommigen ontvluchtten Oost-Congo vanwege de slachtpartijen die daar de laatste decennia plaatsvonden. In die omstandigheden is het waarschijnlijk van extra belang het spreekwoordenkoord, waarmee elke volwassene uit dit gebied als kind vertrouwd werd gemaakt, te reanimeren. Cultuur levend houden geeft mogelijk enig houvast aan mensen met een gruwelijke geschiedenis die, dikwijls noodgedwongen, ver van huis leven.

Zodra het gezelschap dat bestaat uit volwassenen, ouderen, pubers, maar ook jonge kinderen de kleine ruimte is binnengestroomd waar het spreekwoordenkoord in een vitrine is opgehangen, leidt de stamoudste uit Londen de bijeenkomst in. Deze temperamentvolle en gezag uitstralende figuur, gekleed in westers pak, fungeert als een soort voorganger. Met luide roep begroet hij, microfoon in de hand, de aanwezigen in hun eigen taal, en stelt zich met de timing en dictie van een volleerde performer voor. „Ik heet… Sefu Ngongo Kifunza Kyala Kongola.” Dan memoreert hij nog eens de reden van samenkomst. Even later krijgt een volgende spreker het woord. Elk object aan het koord, vertelt hij, heeft een specifieke betekenis die door ingewijde Lega kan worden ‘gelezen’. Het beeld of object correspondeert met een zegswijze die aan kinderen wordt onderwezen. De spreker wijst naar een pinda die aan het koord is vastgeknoopt, noemt het spreekwoord dat erbij hoort en legt uit: een pinda gaat alleen de grond in, maar zodra hij daaruit weer tevoorschijn komt, heeft hij zich gereproduceerd. De pinda symboliseert productiviteit in de breedste zin.

Aan het koord is ook de representatie vastgeknoopt van een pirogue, een kano in de vorm van een uitgeholde boomstam. „Mwana bwato”, een kind is als een kano, vertelt de volgende spreker. Voed je het goed op, geef je het een opleiding mee, leer je het om eerlijk en sociaal te zijn dan zal het je, als de tijd daar is, overzetten naar de andere kant van de rivier. Het zal jou, maar ook anderen in de gemeenschap helpen.

Het valt op dat deze sprekers, stuk voor stuk, hun verhaal zo eloquent brengen; levendig en muzikaal. Ze stammen duidelijk uit een orale cultuur. De verhalen zitten vast in hun hoofd en het koord maakt deel uit van hun mnemotechniek. Ze lezen niet, zoals zoveel Europeanen onder wie ik zelf, van een stel A4’tjes, waarbij ze om het contact met hun publiek niet te verliezen om de twee alinea’s even opkijken, over de leesbril heen, en indringend de zaal in staren.

Raffia en schubdier

Hier gebeurt iets anders met A4’tjes. Een van de Legamannen houdt er een opgerold in zijn hand, en stapt op zeker moment naar voren. Hij vertelt rustig en zelfverzekerd dat dit papier even staat voor de zogenaamde kasuku (een harsfakkel) die wordt gebruikt om licht te krijgen. Als je er zachtjes in knijpt – hij doet het even voor al brandt-ie niet –, vlamt het licht op: „kasuku wakitaa mponga, bamusungatu mwitama.”

Zijn boodschap is gelaagd. Hij legt in bedekte termen uit: het zijn niet de vreemden, de outsiders, die je in je leven het meeste pijn zullen doen, maar je naasten, zoals familieleden, geliefden en dierbaren. Pijn hoort bij het leven, pijn hoort bij de liefde, een leven zonder pijn bestaat niet. Wees dus flexibel, houd niet te star vast aan je verlangen naar een pijnloos bestaan. Knijp, met andere woorden, zachtjes in de kasuku, dan geeft die meer licht. Mogelijk bestaat het paradijs, maar je zult het wel zelf moeten maken. Het zijn wijze woorden die me doen denken aan de regels van Judith Herzberg: „Vreselijker wreedheid dan door vijanden begaan/ wordt minnaars minnaars aangedaan.”

Een pittige vrouw vertelt geanimeerd dat ze van haar grootmoeder leerde: „Itend imutu, na makuli I poso”, ofwel ‘wie zijn benen niet gebruikt, zal niet eten.’

Blijf dus niet zitten waar je zit, ontplooi initiatieven, exploreer mogelijkheden. Zoek werk en je zult te eten hebben.

Een van de sprekers is een man die enkele strengen raffia, zacht maar sterk weefsel, in zijn hand houdt. Het zijn belangrijke eigenschappen voor een leider, vertelt hij, want die moet zacht zijn en tegelijkertijd een krachtige persoonlijkheid. Wie in een precaire situatie rustig en beheerst blijft, niet agressief wordt, bereikt meer dan iemand die conflicten laat escaleren. Aan wijsheid en mildheid wordt gehecht. Ik vrees dat deze Lega weinig zouden zien in de vlotte interim-managers met bindingsangst die het tegenwoordig in ons land voor het zeggen hebben.

Het schubdier, vertelt een spreker die al eerder aan het woord was, is belangrijk. Het is een totemdier voor de Lega. Het dier inspireert, door zijn schubben die elkaar overlappen, niet alleen heel praktisch tot het ontwerp van een waterdichte dakbedekking, maar ook in overdrachtelijke zin. Ieder moet zijn individuele rol spelen in de Legagemeenschap en de harmonie bewaren door samen een ‘waterdichte’ afweer te vormen tegen de bedreigende buitenwereld. Het was tijdens de oorlog van de afgelopen jaren van levensbelang voor de Legagemeenschap.

Religieuze wetten, regels en geboden van institutionele godsdiensten zijn vaker wel dan niet waterdicht. Er mag vooral veel niet. Er is weinig vrijheid, nauwelijks speelruimte. Aan wetten dient men zich te houden, regels zijn regels, en geboden dienen niet te worden overtreden. Twijfel, afwijken van de norm, wordt bestraft. Hoe primitiever en rauwer de levensomstandigheden, des te strikter de toepassing van de wetten, regels en geboden zal zijn. Er mogen door geestelijk leiders, af en toe, uitzonderingen worden gemaakt, doorgaans is er weinig ruimte voor twijfel.

De uitleg van de letterlijke betekenis en de ruimere interpretatie van de Legaspreekwoorden is opmerkelijk vrij en flexibel. Wat een opluchting is het vast te stellen dat de sprekers reflectie en introspectie aanmoedigen. Wijzen op eigen verantwoordelijkheid. Zo ontstaat onmiskenbaar de indruk dat deze Lega aan hun spreekwoordenkoord met bijbehorende interpretaties vooral richtlijnen ontlenen, suggesties, tips voor het leven. Het koord fungeert bij wijze van spreken als een mild afgestemd ‘moreel kompas’ dat globaal laat zien in welke richting oplossingen voor individuele of sociale problemen zouden kunnen worden gezocht.

Af is het koord nooit. Het uiteinde is en blijft open, er kunnen altijd nieuwe objecten aan worden vastgeknoopt. Er spreekt een levenshouding uit die bijna boeddhistisch aandoet. Niemand heeft de wijsheid in pacht, niemand kan alle kennis bezitten, niemand weet altijd wat de beste oplossing is voor een probleem. Niet zeker weten als levenshouding. Als ik zo om me heen kijk, is het helemaal niet erg om niets zeker te weten. Deze Lega kunnen er in elk geval mee overweg.