Schaakgenie moest de Russische vijand breken

Alle angst en paranoia, waanzin en idiotie van de Koude Oorlog samengebald in een enkele schaakzet. Dat is het hoge spel dat regisseur Edward Zwick, maar vooral de hyperproductieve scenarist Steven Knight (wiens eigen regie Locke vorig jaar in Nederland draaide) spelen in Pawn Sacrifice.

Symbolische winst

Dit is niet zomaar een film over schaaklegende Bobby Fischer, en in het bijzonder over het IJslandse wereldkampioenschap van 1972 toen hij aartsrivaal Boris Spassky versloeg. Pawn Sacrifice gaat vooral over de symbolische winst die toen werd behaald: alsof Fischer door de schaakhegemonie van de Russen te breken in z’n eentje een keerpunt in de Koude Oorlog bewerkstelligde.

Het is niet de eerste film over Fischer. Vers in het geheugen ligt nog de documentaire Bobby Fischer Against the World (2011) die inzoomde op Fischers tragische einde: vereenzaamd, vol zelfhaat, woedend op de VS die zijn geestelijke gezondheid zouden hebben opgeofferd voor symboolpolitiek.

Paranoiathriller

Zwick en Knight zetten vooral op dat laatste in, en dat maakt Pawn Sacrifice meer een paranoiathriller zoals we ze uit de jaren zeventig kennen, dan een traditionele biopic of schaakfilm. Het telefoontje van Nixon tijdens het WK zou Fischer niet alleen tot grote schaakdaden hebben aangezet, maar ook over de rand hebben geduwd.

Dat teruggrijpen op het rijke filmverleden doet geruststellend ouderwets aan, misschien net een beetje té, waardoor je als toeschouwer teveel aan de veilige kant van de afgrond blijft.