IDFA is een leedfabriek

Het festival voor filmdocumentaires IDFA is net afgelopen. John Albert Jansen geeft z’n oordeel. Minder ijdelheid, meer verbeelding alsjeblieft.

We hebben in Nederland de ontkerkelijking gehad. Voor de kerk hebben we het IDFA teruggekregen: een festival voor documentaires met een niet aflatende stroom films die het onrecht en het leed in de wereld aan de kaak stellen.

In het Amsterdamse filmtheater Tuschinksi 1 was ik verdwaald in de masterclass van Errol Morris, een in zijn genre beroemde documentairemaker van veelal geënsceneerde films als The Thin Blue Line (1988) over een ten onrechte ter dood veroordeelde. In een andere film portretteert hij op genadeloze wijze de voormalige Amerikaanse minister van Defensie Rumsfeld. Zijn aangever in Tuschinsky was de filmcriticus Bill Nichols.

De masterclass opende met een filmfragment. Er vliegt in slowmotion een bot door de lucht. Je kunt er de muziek bij denken. Als het licht aangaat, praten de heren over het ‘milkshake shot’ uit The Thin Blue Line. Dat in zekere zin gelijk wordt gesteld aan de klassieke scène uit Stanley Kubricks 2001 – A Space Odyssey. De toon is gezet, we hebben te maken met filmgeschiedenis.

Jammer alleen dat beide heren het voornemen laten varen om filmfragmenten te vertonen – geen overbodige luxe bij een masterclass over film.

De ene heer stelde een vraag die vooral bedoeld was om zijn kennis te etaleren en zijn bewondering voor de andere heer uit te spreken. Die zich wentelde in de complimenten. Het herinnerde me aan de Muppet Show. Alleen viel er weinig te lachen. Bij die milkshake moest ik denken aan Gerard Reve, die ooit over het nieuwste boek van Harry Mulisch zei: het gaat over een zeepbel die uiteenspat. En: men noemt dit werk sterk autobiografisch.

Die vileine slotregel van Reve deed Mulisch natuurlijk geen recht. Het zal ook Errol Morris geen recht doen. Toch deed hij weinig moeite het publiek erbij te betrekken. Hij had aan zichzelf genoeg.

Ik keek om me heen. Een gewijde stilte. Ik realiseerde me dat dit geen masterclass was, maar een kerkdienst. Morris sprak vanaf de kansel, ik was verdwaald in een zaal vol gelovigen.

Enkele dagen later zag ik de openingsfilm. Er was al veel over gezegd en gemonkeld. In A Family Affair speelt de grootmoeder van de regisseur haar laatste rol. Ze is 95 en heeft in Zuid-Afrika een carrière opgebouwd als model en zakenvrouw nadat ze, verlaten door haar man, haar twee jonge zoons achterliet in een kindertehuis.

Het is een film over moederliefde die aan de kaak wordt gesteld, geknakte levens en ijdelheid.

Een film met fascinerende scènes waarin de ijdelheid steeds meer de overhand krijgt. Ook bij de nog jonge regisseur. Hij valt in het zwaard van zijn ijdelheid door eindeloos door te gaan. Na de aftiteling zag ik in mijn verbeelding de kist van de grootmoeder op het podium staan. Als een deus ex machina neergedaald.

Zo werd A Family Affair ook en vooral een leerstuk voor editors op de filmacademie.

We zien prachtige documentaires op het IDFA. Mag ook wel met ruim driehonderd films.

Toch wringt het. Zo ben ik niet bovenmatig geïnteresseerd in globalisering of klimaatverandering of corruptie en onrecht in Afrika. Laat staan dat ik me met de vleesverwerkende industrie of borstamputatie wil bezighouden.

Dan wordt het al lastiger. Het lijkt een tragische vergissing die zich het afgelopen decennium heeft voltrokken. Op de televisie hebben we in documentaires alle denkbare ziektes voorbij zien komen.

Op het IDFA wordt het leed per strekkende meter uitgerold. Het is een vergissing dat ‘engagement’ vooral ‘actueel’ en ‘maatschappelijk’ moet zijn. Er is een probleem en je hobbelt er met een camera achteraan. De komende tijd zal er ongetwijfeld een vloed aan documentaires over vluchtelingen komen. Die over ebola zijn uit. Het is de geseling van het nu, van de actualiteit. Dat ‘engagement’, betrokkenheid, ook kan zitten in ritme, vorm, compositie, lijkt te zijn verdwenen.

Laatst kreeg ik een YouTube-filmpje toegestuurd over de Antwerpse schilder Sam Dillemans. Hij zegt: „Mee zijn met je tijd is altijd creperen. Je moet niet mee zijn met de tijd. Je moet mee zijn met de poëzie.”

Dus, dames en heren van het IDFA, mag het voortaan een onsje minder? Een snufje minder onrecht, een mespunt minder wereldleed, wat meer verbeelding en poëzie wellicht?

Ik beloof u, het zal een verademing zijn en het zal ook u goed doen.