Grootmeester in paranoïde wereld

De uiterst kieskeurige ster Tobey Maquire (‘Spider-Man’) speelt een schaaklegende.

Opgejaagd door de CIA? Tobey Maquire als schaakgenie Bobby Fischer

Met Tobey Maguire weet je het nooit helemaal zeker. De meeste mensen kennen hem natuurlijk als Spider-Man. Dus dat betekent dat de wereldster ook een beetje Peter Parker is, die verlegen jongen die afkomstig is van de verkeerde kant van het spoor en die tegen wil en dank zo af en toe in de spinnensuperheld verandert.

Dat introverte kleeft hem altijd een beetje aan. Ook als hij op een zonnige najaarsochtend een hippe bar in Toronto komt binnensloffen, om te praten over Bobby Fischer (1943-2008), de Amerikaanse schaaklegende die hij speelt in Pawn Sacrifice. Het is net alsof er een beetje van hemzelf in zijn personage is verdwenen.

Maguire is extreem kieskeurig met zijn rollen. Na drie delen Spider-Man speelde hij maar in een handvol films, waarvan The Great Gatsby waarschijnlijk de grootst opgezette is. Het idee van Pawn Sacrifice is alweer bijna tien jaar oud, toen Maguire voor het eerst voor de rol van Fischer werd benaderd. Hij raakte gefascineerd door Fischers obsessieve geest en controversiële karakter. „Er zijn zoveel dingen aan hem die ik interessant vind: zijn talent, de manier waarop het schaakspel hem kon overnemen, zijn eigenaardigheden, en ook zijn ondergang.”

Een schaker is Maguire zelf niet, hij speelt een beetje poker, en bestudeerde ter voorbereiding op zijn rol het spel nauwkeurig. Hij sprak met grootmeesters, las boeken en keek vooral naar heel veel filmpjes met Fischer zelf. „Als me één ding duidelijk is geworden is het wel dat je om een goede schaker te zijn echt vele, vele uren per dag moet spelen. Dat is voor mij niet echt een prioriteit in mijn leven.”

De overeenkomsten tussen schaken op hoog niveau en acteren liggen voor de hand: „Het feit dat je ergens volledig in opgaat. Maar ook de druk van je omgeving, de media die bij sommige sterren al hun eigenaardigheden extreem uitvergroten. Bobby bestudeerde niet alleen de partijen die zijn tegenstanders hadden gespeeld, maar hij wilde ook de mensen erachter doorgronden: hun karakter, temperament en persoonlijkheid. Hij wilde de beste allround speler van zijn tijd zijn.” De inzet was enorm: „Dat wereldkampioenschap was wel even wat anders dan een beetje spelen in Washington Park. Elke afleiding kon te veel zijn.”

Ook regisseur Edward Zwick (The Last Samurai, Blood Diamond) is aangeschoven. Hij beschrijft Fischer als iemand die last had van hyperacusis, een extreme overgevoeligheid voor geluiden. „Wij zitten hier nu gewoon te praten en horen het geluid van die ijskast op de achtergrond niet, maar voor Bobby kon dat al een enorme stoorzender zijn.”

In de film is schaken ook een metafoor voor het paranoïde steekspel van de VS en de Sovjet-Unie tijdens de Koude Oorlog. Zwick: „Wij hebben die metafoor niet bedacht. In de vroege jaren zeventig was de Russische hegemonie op schaakgebied zo groot, dat ze die koste wat kost wilden behouden. Ik denk dat het idee van schaken als voortzetting van oorlogsvoering met andere middelen, een natuurlijk gevolg was van die gedachte.” Zwick schetst het instabiele wereldpolitieke toneel waarop de film zich afspeelt: „Begin jaren zeventig was de tijd van het Watergate-schandaal, de onderhandelingen voor de SALT-ontwapeningsakkoorden, de oorlog in Vietnam was nog niet ten einde, er was een algemeen klimaat van angst en dreiging, de animositeit tussen Rusland en de VS was enorm. Dat zette ongekende druk op het wereldkampioenschap schaken.”

Zwick: „Voordat ik met research voor deze film begon, wist ik niet dat er een CIA-dossier van 900 pagina’s over Fischers moeder bestond. Tot op de dag van vandaag is onbekend waar het geld precies vandaan kwam om Bobby’s loopbaan te financieren. De film suggereert dat Fischers paranoia welbewust werd gevoed door de CIA om hem in een staat van hyperactiviteit en alertheid te brengen. Zwick: „Maar ik denk niet dat je iemand krankzinnig kunt maken. Je hebt aanleg voor geestesziekte of niet. De omgeving kan daar een rol in spelen, maar is niet doorslaggevend.”

Aan het einde van de film zegt Fischer: „Schaakspelen is de waarheid dienen.” Dat citaat geeft waarschijnlijk het beste de bedoeling van de makers weer. Zwick: „Voor Bobby was het schaakspel een veilige plek, waar de regels helder waren, en de mogelijkheden eindeloos. Het ging hem om een zo puur mogelijk staat van zijn.”