Column

Bescheiden plaats op een precair breukvlak

Zouden geologen en archeologen over enkele honderdduizenden jaren nog iets terug kunnen vinden van ons tijdperk, die eeuwen rond het tweede millennium, geteld volgens de dan zeker niet meer dominante christelijke jaartelling? Wat vinden ze: aanwijzingen voor een catastrofe, een geleidelijke verandering of slechts een onbetekenende fluctuatie in het archief van de aarde? Wij die nu leven, kunnen ons eigen tijdperk hoogstens in perspectief zien tot het recente verleden, maar niet relateren aan de toekomst. Voor ons is de tijd niet symmetrisch. Waarschijnlijk zullen sedimenten wijzen op ontbossing en landbouw, dus op snelle demografische expansie. Verstedelijking en industrie laten zeker sporen achter, in baksteen, staal, beton, aluminium, zware metalen en moeilijk afbreekbare plastics. Zouden er ondergelopen eilanden en delta's gevonden worden waar de bevolking overhaast is vertrokken? De wereldwijde opwarming en toename van CO2 in de vorm van versnelde plantengroei is vast meetbaar. Op noordelijke breedtegraden en midden op de continentale landmassa's van Siberië en Canada, zo zal men opmerken, ontstond ineens een hoogproductieve landbouw. Maar wellicht zijn de effecten van verhoogd CO2 zo onzichtbaar vanaf de afstand van deze toekomstige onderzoekers, dat zij zich afvragen wat voor technologische doorbraak ons in staat stelde deze nieuwe gebieden te ontginnen. Misschien zouden ze daarbij denken aan grootschalige kernenergie, robotisering of genetische modificatie, al zijn die slechts mondjesmaat in fossiel DNA terug zijn te vinden. Wie weet denken ze dat betere voeding ons intelligenter maakte, in staat tot een technologische quantum jump, tot een hybride mens. Misschien is vanuit het perspectief van 300.000 jaar onduidelijk wat eerst kwam – toename van CO2 of kunstmatige intelligentie.

Het blijft een gedachte-experiment. Het fascinerende van onze tijd is dat we af en toe een glimp denken te zien van de toekomst, maar eigenlijk zo vreselijk weinig weten van wat op de echt lange termijn ons leven bepaalt. Het is al moeilijk om de heel korte termijn te overzien: wie had kunnen voorspellen dat de Koude Oorlog in een nieuwe vorm lijkt op te laaien, dat IS ons nu meer angst inboezemt dan Noord-Korea, Iran en Pakistan samen, of dat klimaatsverandering ons nu samen bindt. Toch delen veel mensen het verlangen de grote lijnen te zien, het grote verhaal te begrijpen van ruimte en tijd, van wie wij zijn op onze kleine planeet aan de rand van de Melkweg. Dat blijkt uit de de verrassende uitkomsten van de Nationale Wetenschapsagenda, een bijzonder experiment om de bevolking te betrekken bij het richting geven van het onderzoek. Cynisme overheerste aanvankelijk: je krijgt zo alleen maar vragen om ‘middelmatig kankeronderzoek’, er is toch geen geld, de echt nieuwe vragen zijn veel te specialistisch om door leken te kunnen worden geformuleerd. Allemaal waar. En veel van de uitkomsten zijn ook voorspelbaar. Maar er kwam ook een breed gevoelde behoefte uit om de bouwstenen van het leven te begrijpen.

Dat was onvoorzien. En toch weer niet, als je de aandacht ziet die de colleges van Robbert Dijkgraaf en anderen bij de Universiteit van Nederland en DWDD oproepen. We verlangen niet alleen naar het praktische, maar ook naar het grote verhaal dat we nauwelijks kunnen bevatten. Dat maakt ons uniek onder primaten. We zijn zowel bezig met het hier en nu, het alledaagse, als het grotere, de zingeving van ons bestaan. Naarmate de wetenschap meer ontdekt over wat leven is, op moleculaire, cellulaire, evolutionaire en planetaire schaal, worden wij vaker op onze bescheiden plaats gewezen, op dat precaire breukvlak van een toevallig millennium.