Altvioolmeisjes zijn leuker

Vrijdag bezocht ik de Buma Classical Convention (ja, van Buma/Stemra, de Nederlandse muziekrechtenorganisatie waarvan de directievoorzitter onlangs weigerde zijn salaris van 4 ton te matigen en met een vertrekpremie van 484.861 euro vertrok). Mensen uit de klassiekemuziekwereld kwamen op dit congres bijeen voor pitches, lectures, lessons en een potje netwerken.

De ‘uitdagingen voor de sector’ kwamen aan bod. Een van de usual suspects: hoe presenteren we klassieke muziek leuk aan jongeren? Het verwijt is inmiddels stokoud: zo’n orkest is prachtig, maar wie opgegroeid is in een sterke beeldcultuur, zou tijdens een klassiek concert visueel te weinig worden geprikkeld.

Op de borrel merkte een man op dat het wat hem betreft wel meeviel, want hij vond „de vioolmeisjes” heel leuk.

Verslijt me voor seksist, maar ik begrijp hem wel. Ingewijden verstaan onder het ‘vioolmeisje’ een intelligente, tikkeltje ernstige, voor velen onbereikbare (en vioolspelende) droomvrouw. Het archetype draagt haar haren opgestoken want „het zit anders zo in de weg”, maar na een paar wilde passages vol zestiende nootjes hangt er altijd een lok zwoel voor haar ogen. Vioolspelen is topsport, maar dan elegant. Vioolspelen is verantwoorde erotiek.

Ik zou het op willen nemen voor een onderbelichte, maar nog leukere soort: het altvioolmeisje.

De altviool (in het Engels: viola) is de oudere zus van de viool. De klankkast is groter, ze klinken vijf tonen lager en de klank is iets donkerder. Maar in het symfonieorkest is de altviool ondergeschikt. In de standaard strijkersbezetting van een orkest zijn er twee vioolgroepen (eerste en tweede violen). Het fundament wordt geleverd door de cellogroep, de partij van de contrabassen is daar meestal aan verwant. De altviolen zitten in het hart van het orkest tussen de tweede violen en cello’s in.

Anders dan voor de viool of cello zijn er voor de altviool weinig bekende soloconcerten geschreven. En niks mis met de altvioolconcerten van Franz Anton Hoffmeister en Carl Stamitz, maar het is toch jammer dat Beethoven er geen heeft gemaakt.

Binnen het orkest zijn altviolisten vaak mikpunt van spot en hoon. Ze zouden niet goed genoeg zijn voor een echte viool en ze spelen nooit zuiver. Zou er een kern van waarheid in zitten? Mijn indruk is dat het vooral een karakterkwestie is. Waar de strebers bij de eerste violen niets liever doen dan de hele dag studeren, koppelen de zelfverzekerde altviolisten het musiceren aan een sociaal leven (heel verstandig). Als ik even mag generaliseren: het zijn ook de fanatiekere drinkers.

Mijn dates met vioolmeisjes liepen nooit op iets uit. Inmiddels heb ik al ruim twee jaar een altvioolmeisje met wie ik binnenkort ga samenwonen. Ik verheug me niet op die valse altviooletudes, maar het wordt vast heel gezellig.