Column

Wind in de trein

De trein was nog maar nauwelijks vertrokken toen het volle aroma van een nog darmwarme wind tot ons doordrong. We zaten tweedeklas, maar deze wind was qua penetrantie onmiskenbaar eersteklas. „Mijn god”, zei ik tegen mijn vrouw, „dit begint goed.”

We keken voorzichtig zoekend om ons heen. Een zinloze reactie, want ik heb nog nooit iemand meegemaakt die meteen schuldbewust bekende: „Die ontsnapte me per ongeluk”, of wat ironischer: „Dit is een rondje voor de hele zaak.” Maar het is een automatische reflex die ook met een zekere nieuwsgierigheid te maken heeft – je wilt toch weten welk gezicht bij deze specifieke wind hoort. Is het, leve het vooroordeel, die ruw gebouwde man daar, of juist dat – het zal toch niet – opzienbarend mooie meisje dat nu zo verdacht geconcentreerd op haar mobieltje zit te turen?

„Wie zit er achter ons?” vroeg ik.

„Een keurige mevrouw van in de zestig”, zei mijn vrouw.

Die viel voorlopig af.

Er bleven nog genoeg potentiële daders over, want het was een vol compartiment. Zoals bekend doen ze bij de NS tegenwoordig álles om die treinen zo vol mogelijk te krijgen. Ik zie het er nog eens van komen dat we op de bovenkant belanden, liggend of bengelend, zoals je weleens in ontwikkelingslanden ziet, terwijl de conducteur ons via de intercom behulpzaam adviseert: „Pas op de bovenleidingen.”

We probeerden ons te verdiepen in onze lectuur, wat redelijk lukte, ook omdat de lucht om ons heen weer een neutralere geur aannam. Een kleine tien minuten zal dat geduurd hebben. Toen kwam de wind weer terug, eerst bijna aarzelend, maar geleidelijk aan geurkracht winnend. Wij keken elkaar aan en knikten: het moest dezelfde dader zijn.

Mijn vrouw wees op de twee tegenover elkaar geplaatste bankjes vóór ons. Daar zat een moeder met twee kleine kinderen. „Ik denk dat er eentje z’n broek vol heeft.” Het leek me een plausibele veronderstelling, maar als daderanalyse misschien toch iets te kort door de bocht. Pas toen de moeder even later met een van de kinderen naar de wc vertrok, raakte ook ik overtuigd.

De trein stopte bij een tussenstation, de moeder zat weer bij haar kinderen en de lucht was volledig opgeklaard. Ik snoof opgewekt, meer uit gewoonte dan uit argwaan. Ik snoof nog eens. Vergiste ik me, of kwam daar toch weer die verrekte wind aangewaaid? Ik keek naar mijn vrouw. Ze zat met haar neus in dezelfde wind en staarde me verbijsterd aan. Toen stond ze op, liep spiedend door het compartiment en kwam weer terug.

„Ik weet het”, zei ze opgewonden als een rechercheur die de moordenaar op het spoor is gekomen. „Er zit daar een vrouw met zo’n grote reistas voor dieren. Volgens mij heeft ze een fret.”

Het zou meteen die hoge, doordringende piepjes kunnen verklaren die we af en toe hadden gehoord. Bij het volgende station stapte de vrouw-met-de-tas uit. Daarna werd de lucht niet langer bezoedeld. Ik excuseerde me onhoorbaar bij de moeder met haar twee onschuldige bloedjes van kinderen.

Thuis heb ik het nog even nagegoogled. Fretten kunnen inderdaad vreselijk stinken, ze communiceren met elkaar via geuren. Sommige fretten zetten hun anaalklieren open als ze erg tevreden zijn. Dat wordt ook wel een soort ‘frettenwind’ genoemd.

Frettenwind – een woord om te onthouden, niet de stank die erbij hoort.