Spaanse meesters terug in Amsterdam

De Hermitage laat Spaanse Meesters zien, die ooit van een Amsterdamse bankier waren.

Francisco Goya, Portret van de actrice Antonia Zárate, ca. 1810–11

In de tweede helft van de zestiende eeuw voerde de Spaanse overheid een schrikbewind in de Nederlanden. De strijd van Willem van Oranje tegen de hertog van Alva is de Nederlandse geschiedenisboekjes in gegaan als een heroïsch gevecht tegen het tirannieke regime.

Het is een gemeenplaats te stellen dat die geschiedenis de reden is voor het gebrek aan belangstelling in Nederland voor de rijke geschiedenis en cultuur van Spanje. Opvallend genoeg was die aversie in het Nederland van tweehonderd jaar geleden kennelijk lang niet zo sterk. Zo maakte een groot aantal schilderijen van Spaanse meesters deel uit van de kunstcollectie van de Amsterdamse bankier William van Coesvelt. Lang zou zijn verzameling overigens niet in Nederland blijven: in 1814 verkocht hij al zijn Spaanse werken aan de Russische tsaar Alexander I. Maar liefst zestien van Van Coesvelts werken zijn nu tijdelijk terug in Nederland, in een expositie in de Hermitage Amsterdam.

Een greep van zo’n zestig schilderijen en prentenreeksen uit de collectie van het Hermitagemuseum in Sint-Petersburg toont werk van Spaanse kunstenaars van de late zestiende eeuw tot de vroege twintigste eeuw. Alonso Sánchez Coello, die de kneepjes van het vak leerde in het Brussel van Maria van Hongarije, bracht de verfijnde Vlaamse renaissanceportretkunst naar Spanje. Niet veel later gaf de in Venetië opgeleide El Greco, de Spaanse schilderkunst een impuls met krachtig expressieve werken. In de loop van de zeventiende eeuw, die ook voor de Spaanse kunst een Gouden Eeuw was, specialiseerden schilders als Francisco de Zurbarán, Bartolomé Esteban Murillo en Diego Vélazquez zich in religieuze voorstellingen, maar ook in nieuwe genres, zoals stillevens en scènes uit het dagelijks leven.

Uit latere perioden zijn er de indrukwekkende prentenreeksen van Francisco Goya, zoals een aantal etsen naar schilderijen van Velázquez uit de zeldzame eerste oplage (1778). Van Goya wordt één schilderij getoond, het Portret van Antonia Zárate. De manier waarop de actrice, met melancholische blik in haar grote, zwart omrande ogen is weergegeven, lijkt vooruit te wijzen naar haar vroege overlijden aan tuberculose in 1811.

De kracht van de Hermitage Amsterdam te kunnen putten uit de magnifieke collecties in Rusland betoont zich in deze expositie echter ook een zwakte. Een echt representatief overzicht van Spaanse kunst kan, met bruiklenen uit slechts één verzameling, niet worden getoond. Mooie en belangrijke kunstwerken zijn erbij. Maar het enige complete schilderij van Diego Velázquez, de schilder die telkens weer de belangrijkste kunstenaar van de Spaanse zeventiende eeuw wordt genoemd, is een weinig opwindend, klein portret van een aristocraat. Slechts met een knap getroffen profiel van een man met een wat verbaasde blik en opgetrokken wenkbrauwen – een veertig centimeter hoog fragment van een oorspronkelijk veel groter schilderij – maakt de grote schilder iets van zijn reputatie waar.