Elk geroofd lepeltje staat op de lijst

Toen de Duitsers in 1940 de Wassenaarse villa De Wiltzangk onteigenden, legden ze de inboedel tot in detail vast. De achterkleinkinderen van de Joodse familie die er woonde, reconstrueerden het verhaal.

Ansichtkaart van de villa, omstreeks 1928, en inventarislijst. Foto Archief gemeente Wassenaar

Het is moeilijk om het je in levendige details voor te stellen, maar misschien lukt het met in gedachten het beeld dat we intussen allemaal kennen van Downton Abbey. Je komt de hal binnen van een groot landhuis, of eigenlijk: de voorhal. In die voorhal ligt een antiek tapijt, er staat een grote klok. In de hal, daarachter: een kroonluchter, grote vazen, een beeld, schilderijen. Jan Steen. Gerard Dou.

Loop je verder dan kom je in de eetkamer, de bibliotheek, de biljartkamer, de wintertuin. Vooral de bibliotheek is indrukwekkend, zo’n zesduizend boeken staan hier. Een vijftiende-eeuwse Gutenberg-bijbel ligt apart op een tafeltje. Overal sofa’s en leunstoelen. Heel veel oosterse tapijten, verzameld tijdens verre reizen. Zilverwerk en porselein voor diners met tientallen gasten.

Dat was toen.

Nu huist in villa De Wiltzangk aan de Rust en Vreugdlaan in Wassenaar de ambassadeur van Iran. En vorige week, in het honderdste bouwjaar van De Wiltzangk, ontving hij er een klein gezelschap dat het verhaal van de villa voor het eerst vrij compleet te horen kreeg: verwanten van vorige bewoners, enkele diplomaten, een paar historici, geïnteresseerden, de burgemeester van Wassenaar.

Dat is te danken aan enkele achterkleinkinderen van de man die De Wiltzangk in 1922 kocht: Samuel van den Bergh, van de Rotterdamse N.V. Van den Bergh’s fabrieken, een van de drie bedrijven die aan de basis stonden van Unilever. Of eigenlijk is het te danken aan Judith Niessen, die op verzoek van die achterkleinkinderen sinds 2007 onderzoek doet naar de verdwenen schilderijen van Samuel van den Bergh. En daarbij op inventarislijsten stuitte die Friedrich Christiansen, de Duitse Wehrmachtsbefehlhaber in Nederland, liet maken van de al in 1940 onteigende villa. Alles staat erop, tot zakdoeken aan toe. Alleen de boeken ontbreken vrijwel allemaal. Die waren toen waarschijnlijk al verbrand.

Confiscaties en onteigeningen van Joodse huizen tijdens de Tweede Wereldoorlog waren normaal, in die zin is dit verhaal vaker verteld. Maar dat er zulke gedetailleerde lijsten zijn teruggevonden is uitzonderlijk.

Ook is de geschiedenis van De Wiltzangk exemplarisch voor wat er gebeurde met de eigendommen van Joodse grootindustriëlen, van wie zich er meer hadden gevestigd in deze omgeving. Generaal Christiansen gebruikte De Wiltzangk slechts als gastenverblijf. Hij woonde in Groot Haesebroeck, een villa even verderop, waar eerst de familie Kröller-Müller woonde en later, op het moment van confiscatie, de Joodse zakenman Daniël Wolf. Groot Haesebroeck is nu de residentie van de Canadese ambassadeur: de onteigende villa’s kwamen na de oorlog in het bezit van ambassades, de landerijen werden park.

Bijna alles is verdwenen

Wat is er gebeurd met de inventaris? En waarom is het zo belangrijk dat te achterhalen?

In elk geval niet omdat er nog veel terug zal komen, bijna alles is verdwenen. En in de loop van de tijd zijn er maar een paar objecten gerestitueerd. Nee, het gaat de nazaten, zegt Judith Niessen, „vooral om een gevoel: dat de mensen weten dat alles wat in dat huis stond met liefde is verzameld”. Vooral de boeken: Samuel van den Bergh stond bekend om zijn omvangrijke bibliotheek, en om zijn belangstelling voor de geschiedenis van het nabije oosten. „De schilderijen had hij ook omdat het zo’n groot huis was”.

Dat de boeken zijn verbrand, is een verhaal uit de overlevering. Samuel van den Bergh en zijn vrouw Betsy waren al in 1939 uitgeweken naar Nice, waar ze ook een huis hadden. Samuel overleed daar in 1941. Betsy wist daarna via Portugal de Verenigde Staten te bereiken. Na de oorlog keerde zij naar Nederland terug, waar ze in 1946 overleed. Hun zoon George werd in Buchenwald kort geïnterneerd als politiek gevangene, maar in 1941 weer vrijgelaten. Diens dochter Bep bracht hem toen naar familie in Wassenaar, om aan te sterken. Onderweg kwam ze langs De Wiltzangk en zag de resten van verbrande boeken in de sloot. Ze stopte en viste een Mesopotamische aardewerken schaal uit het water. Die staat nu in het Allard Pierson Museum in Amsterdam.

De inventarislijsten zijn opgesteld naar aanleiding van het overlijden van Samuel van den Bergh. In 1944 liet generaal Christiansen de inboedel van zowel De Wiltzangk als Groot Haesebroeck in 171 kisten wegvoeren naar Duitsland. Ook daar zijn lijsten van. Die kisten zijn geplunderd, door Duitsers, maar na de oorlog ook door geallieerden.

En wat daarin zat staat dus wel op inventarislijsten, maar beeldmateriaal is er niet van. De overgeleverde foto’s van de familie Van den Bergh zijn vaak buiten genomen, in de tuin. Er is een foto van het gezin in de wintertuin, daar zie je verder alleen maar planten op. En één voor een boekenkast. Tapijten, zilverwerk, servies: hoe zou je het nog herkennen?

Voor de schilderijen ligt het anders: zij zijn voor de oorlog een paar keer getaxeerd en sommige zijn tentoongesteld. Het schilderij van Gerard Dou, Meisje met de muizenval, is getraceerd en door de familie samen met de toenmalige bezitter verkocht op een veiling. Jan Steens Herbergtafereel is opgenomen in een tentoonstellingscatalogus van de Lakenhal in Leiden uit 1926. Het schilderij dook in 2004 op bij een veiling, maar bleek toen in de jaren tachtig gestolen uit een Engels landhuis: het stond sindsdien als vermist geregistreerd in het Art Loss Register. De eiser en inbrenger verkochten het vervolgens gezamenlijk aan een kunsthandelaar.

De achterkleinkinderen Van den Bergh, zegt Judith Niessen, kwamen hier achter toen ze zelf in 2006 op onderzoek uitgingen. „We weten bij wie het schilderij recent nog was, maar het verzoek van de erven om tot een oplossing te komen is tot nog toe op niets uitgelopen. Inmiddels is het schilderij door de familie weer geregistreerd bij het Art Loss Register. Dat betekent dus dat er een claim op ligt en dat het niet zomaar verkocht kan worden, zonder tot overeenstemming met de erven te komen.”

Opnieuw: niet om er veel geld aan over te houden, maar omdat zijn achterkleinkinderen „een historisch onrecht willen rectificeren” door de naam van Samuel van den Bergh opnieuw te verbinden aan het schilderij. „Nu is die naam door de geschiedenis gewist.”