Canon van keramiek als kunstvorm

Jessica Harrison,Painted Lady 4, 2014.

Als er maar geen bloem in past! Nota bene in Japan, het land met zijn tradities van fijne kunstnijverheid, besloten de keramisten van de Sodeishagroep rond 1950 de kont tegen de krib te keren met anti-vazen. Wolken of lichaamsdelen lijken hun creaties, dof of leerachtig, geometrisch of juist organisch gevormd. Pure kunst, en dus zonder bruikbare openingen.

Daarmee is het Japanse zaaltje exemplarisch voor de ambitieuze tentoonstelling Ceramix in het Bonnefantenmuseum in Maastricht. Deze heeft een emancipatoir tintje: keramiek als volwaardige kunstvorm neerzetten. Met 271 kunstwerken van 108 kunstenaars bestrijkt het ruim een eeuw en alle continenten.

Historisch gezien past de tentoonstelling op deze locatie. ‘Avenue Céramique?’ vroeg de Franse curator Camille Morineau toen ze een paar jaar geleden van directeur Stijn Huijts zijn visitekaartje kreeg. Huijts vertelde over Maastrichts keramiek en over de fabriek die op deze straat stond. Nu is Morineau met Lucia Pesapane de samensteller van de expositie, die volgend jaar doorreist naar Frankrijk. Ook daar past de expositie. Het was bij de Franse avant-gardes dat de keramische sculptuur ontstond. Zo start de expositie groots met een krachtige kop van Rodin die het waarom van keramiek verklaart: beeldhouw- en schilderkunst ineen, dankzij het kleurige glazuur. Klinkende namen volgen, zoals Gauguin, Matisse, Miró, Leger en natuurlijk Picasso.

Avant-gardes, die graag schuurden, worden in keramiek ineens wulps. Het geeft sensualiteit aan Picasso’s vrouwen, en zelfs robuuste jongens als Karel Appel en Lucio Fontana (toefjes goudglazuur!) worden glijerig in glanzende keramische reliëfs. Keramiek heeft, als banketbakkerstak onder de kunsten, een keerzijde: het wil te graag. Het glanst en koketteert. Politiek geëngageerde keramiek is dan ook zeldzaam (al leent het zich wel voor anti-koloniale volkskunst).

Er valt veel moois te ontdekken, mede dankzij onbekende bruiklenen uit privécollecties. Maar na de krachtige start bezwijkt de expositie onder weelde en willekeur. Het zal de last zijn van de primeur om een kunsthistorisch overzicht te brengen, waardoor de samenstellers niemand uit deze canon wilden laten. Desondanks ontbreken Marcel Duchamp, Jeff Koons en Judy Chicago, wat vergeeflijk is, maar waarom dan wel een soloruimte voor de paaldansende holtes van Elsa Sahal? Zo valt de expositie uiteen in talloze thema’s, solo’s, duo’s, zonder enig verband, alsof het stands op een kunstbeurs zijn.

Gelukkig eindigt een van de twee vleugels goed. Er is een geslaagde slotzaal, waarin de vaas kapot mag. Soms letterlijk: gelijmde scherven van Yee Sookyung, foto’s van Ai Weiwei die een antieke vaas kapotgooit. En soms figuurlijk: een bloemsculptuur van Anne Wenzel is zo extravagant, dat de barok lijkt af te sterven onder zijn eigen gewicht.

Maar ook hier staat ander werk dat de samenhang verstoort. Alhoewel. Eén gemene deler blijft. Je kunt er maar zelden een bloem in kwijt.