Blauwe taart

Schrijfster Pia de Jong is met haar gezin verhuisd van Amsterdam naar Princeton, in de VS. Ze schrijft wekelijks over wat haar daar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

De oude dame staart naar het stuk taart voor haar neus. Zal ze, of zal ze niet? Ik ga bij haar aan tafel zitten. Ze veert op als ze me ziet. Ze vindt het altijd heerlijk Nederlands te kunnen spreken.

We treffen elkaar vandaag op een verjaardagsfeest. Ik begrijp haar weifeling. De knalblauwe punt heeft inderdaad iets onnatuurlijks. Alsof hij niet bedoeld is om op te eten. Taarten zien er hier vaak nep uit. Als etalagemateriaal.

Bovenop de dikke laag cake, bij voorkeur in een kunstmatige knalkleur, zit de mierzoete glazuur. Sommige Amerikaanse kinderen vinden niets lekkerder dan zo’n beker frosting achter elkaar leeg te lepelen.

„Ik moet zo denken aan mijn zus”, zegt de oude dame. „Zij is vandaag ook jarig. Haar kinderen en kleinkinderen zijn bij haar op bezoek. Ik was er graag bij geweest.”

Ze haalt diep adem en prikt haar vork in de taartpunt. Als ze een hap neemt, trekt ze een vies gezicht. „Bah”, zegt ze. „Hoe krijgen ze het voor elkaar zoiets onsmakelijks te maken.” Met een ferm gebaar schuift ze het bordje met het restant van de taart van zich af.

Er zit nog wat cake op haar lip.

„Gefeliciteerd met je zus”, zeg ik. „Op zo’n dag als deze is Nederland dan wel erg ver weg.”

„Oh, maar ik skype elke week met haar”, zegt ze. „We zijn wel uit elkaar gegroeid, maar toch. Het is de enige manier om nog contact te houden met Nederland. Je moet weten, ik ben al vijftig jaar geleden vertrokken.”

De kleurstof heeft een blauwe vlek om haar mond achtergelaten.

„De kinderen waren nog klein toen we hier kwamen”, gaat ze verder. „Al gauw werd dit hun vaderland. Ze gingen hier studeren en leerden hun Amerikaanse partners kennen. We hebben nu twaalf kleinkinderen, over het hele land verspreid. Ooit hadden we bedacht dat we met elk kleinkind een keer naar Nederland op vakantie zouden gaan. Maar ze trokken er nauwelijks aan. Ze spreken de taal niet. Toen de jongste aan de beurt was, zei die dat hij liever naar Italië ging. Tja, daar sta je dan, met je goede bedoelingen. Nederland betekent niets meer voor ze.”

Ik kijk naar haar dooraderde handen die nu op haar schoot liggen.

„De levens van mij en mijn zus zijn zo verschillend als maar kan”, zegt ze. „Zij is altijd in Soest blijven wonen. En al haar kinderen wonen in de buurt. Wat dat betreft ben ik wel eens jaloers op haar. De kleinkinderen komen vaak zomaar een dagje logeren. Als ik de mijne wil zien, moet ik het vliegtuig nemen.”

„Zou u niet terug willen?”, vraag ik.

„Soms wel”, zegt ze. „Dan heb ik heimwee naar de ouderwetse gezelligheid. Het zomaar even bij elkaar op de thee gaan. De geborgenheid van vroeger.”

Ze recht haar rug.

„Maar terug kan ik niet meer. Daarvoor ben ik te veel veranderd. Ik ben gewend aan het reizen. Mij hoor je niet klagen. En ik mis hier niks. De meeste dingen kun je hier gewoon krijgen. Alleen die taart, hè? Dat went maar niet.”

Mijn gedachten gaan naar mijn oudste. Afgelopen september ging hij terug naar Nederland, om zich in het studentenleven te storten. Op zijn eerste verjaardag zonder ons, stuurde hij een selfie. Een typische Amsterdamse straat vol fietsers en trams. Ik herken de gouden krakeling, het uithangbord van een bekende taartenwinkel. Stralend houdt hij zijn buit voor zich: een gigantische punt van zijn favoriete citroenschuimtaart. Ver weg is opeens erg dichtbij.