‘Willem is een openbare-ordeprobleem’

Het is mijn woord, tegen het zijne, zegt Astrid als de voorzitter vraagt waarom ze opnames maakte.

ANP / Robin van Lonkhuijsen

De stem van Astrid Holleeder klinkt helder en vastberaden als ze de procedurele vragen aan het begin van haar getuigenverhoor beantwoordt. Maar op de eerste inhoudelijke vraag van de voorzitter van het gerechtshof – “Hoe is het nou gegaan met die verklaringen?” – schiet ze vol.

Het blijft lang stil. Los van de raadsheren van het hof en de advocaten van de verdachten, kan niemand haar zien. “Het is een kamikazeactie”, zegt Astrid dan:

“Ik wist wat Willem deed als je met de politie sprak. Hij had zijn petten, contacten met de politie. En hij heeft ook bij Thomas van der Bijl iets geregeld toen hij al vast zat.”

De bijzondere verhoudingen binnen de familie Holleeder, liggen al snel op tafel. Astrid vertelt dat ze het niet leuk vindt om verklaringen af te leggen. “Ik heb niks met justitie, nee.” Sterker nog, ze is er dagen ziek van, iedere keer weer als ze een verklaring moet afleggen bij de politie. En toch heeft ze het gedaan, die verklaringen afleggen. “Willem is een openbare-ordeprobleem.”

Opnames

Het is mijn woord, tegen het zijne, zegt Astrid als de voorzitter vraagt waarom ze opnames maakte van gesprekken met haar broer. “En daarmee ga ik het bij u niet redden. Hij heeft zoveel overwicht en charisma. Als hij met u praat, denkt u na vijf minuten: ‘goh’. Na tien minuten denkt u: ‘Hij heeft gelijk.’ En na een kwartier vindt u hem zielig. Zo gaat dat altijd met mijn broer.”

Daarom nam Astrid het risico. Want een risico was het zeker, opnames maken. Het was gevaarlijk, beaamt ze. Willem controleert alles, vertelt ze:

“Bij hem is controle geen wantrouwen. En als hij er achter was gekomen, had hij me te plekke doodgeslagen.”

Geen weg terug

Maar toen ze eenmaal besloten had om te getuigen tegen haar broer, was er geen weg terug. “Als ik een getuige ben, doe ik het goed. Vandaar die opnames. Daarmee kan ik laten horen dat het klopt wat ik zeg.”

Ondanks die rationele aanpak, voelt Astrid nog altijd dat ze haar broer heeft verraden. “Ja, het raakt me nog altijd”, zegt ze tegen de voorzitter als ze de beheersing over naar emoties verliest. “Het is toch mijn broer. Mijn broer, die een beroep op mij deed op het moment dat hij kwetsbaar was. Ja, dat verraad zit me nog altijd dwars”, beaamt ze.