Wie speelt Bachs cellosuites het mooist?

Cellist Matt Haimovitz Foto John Gibb

Geen beroepscellist kan zichzelf serieus nemen zonder dat ook te doen met de cellosuites van Bach. De zes suites van ieder zes delen (een prelude en vijf dansen) zijn de cellobijbel, goed voor een onuitputtelijk spectrum van stemmingen. Maar de risico’s zijn groot: de muziek is relatief eenvoudig maar wordt snel onderschat. Een te eigengereide uitvoerder valt snel door de mand.

Mayke Rademakers (●●○○○)

Een nieuwe oogst Bach-suites leidt tot gemengde gevoelens. Het spel van Mayke Rademakers klinkt wat opgejaagd, en de muzikale bedoelingen die ze heeft met Bach worden soms door technische beperkingen in de weg gezeten. Die menselijke inspanningen leiden vooral af in de lastige Zesde suite, oorspronkelijk geschreven voor een instrument met een extra hoge snaar. In de afsluitende Gigue bijvoorbeeld valt regelmatig een nootje weg.

Rademakers’ interpretatie is soms studieus, bijvoorbeeld in de Prelude van de Vierde suite, waar elke eerste tel van de maat zóveel nadruk heeft dat de muziek een ploegend karakter krijgt. Verrassender zijn de moderne cellosolocomposities die Rademakers tussen de suites plaatst: veelal duistere werken van onder meer Goebaidoelina, Penderecki, Schnittke en fraaie eigen improvisaties.

Viola de Hoog (●●●●○)

Een aanbeveling voor barokcelloliefhebbers is de uitvoering door Viola de Hoog, die een bedarmsnaarde Guadagnini bespeelt uit 1750. Wie de historisch geïnformeerde uitvoeringspraktijk associeert met zeer hoge tempi moet zeker de Prelude van de Eerste Suite beluisteren. Kalm, bijna peinzend houdt De Hoog de noten tegen het licht, wat de muziek een rijp karakter geeft. Haar cello heeft een neuzelige hoogte en een mild grommende laagte, waar de duistere Vijfde zeer van profiteert. Voor de hemelbestormende Zesde grijpt ze naar een zessnarig instrument, dat elegant door de hoogste regionen zeilt.

Matt Haimovitz(●●●○○)

Ook Matt Haimovitz bespeelt een barokcello, en laat de muziek meestal fraai doorstromen. Maar de Israëlische cellist gebruikt maniertjes die snel van de muziek afleiden: hoor zijn extreme crescendo-decrescendo-streken in de Eerste suite en je hoort ze vervolgens overal, als een wespenplaag.

Gavriel Lipkind(●●●●○)

Dan is de te weinig bekende opname van Gavriel Lipkind (2006) nog altijd te prefereren. Lipkind zonderde zich drie jaar af om zich in de muziek te verdiepen, wat o.a. resulteerde in een filosofisch, spiritueel en wetenschappelijk essay in het begeleidende boekwerk.

Het klinkend resultaat is juist opvallend naturel: Lipkind speelt Bach soms erg snel of juist langzaam, maar altijd vanuit een overtuigende innerlijke logica. Zijn toon is soepel en warm, smaakvol toegevoegde versieringsnootjes maken de feestvreugde nog groter.