Column

Voorouderdans

Het is volle maan. We zitten in een houten schuur, in een industriegebied buiten Rotterdam. Aan de muren hangen tijgervellen, schilderijen van Afrikaanse koningen, vlaggen met zwarte handen die ketens losbreken. In het midden staat een tafel met eten voor dode voorouders. En daar omheen zitten levende mensen. Honderden prachtige, zwarte, in blauw-wit geklede mensen. Nederlandse Surinamers, stadsgenoten, ik heb ze nog nooit zo gezien. Ze zingen. Zacht en bezwerend. Als één.

De enige twee blanken in de ruimte en ik (half Surinaams), zitten onopvallend te zijn op drie stoeltjes achteraan. Althans, dat was mijn plan. „Zingen ze in het Papiamento?” schreeuwt mijn vriendin tegen een Gerda Havertong-achtige vrouw naast me. „Nee, Surinaams”, zegt de mevrouw, vol gratie. „Ik versta het niet!” roept mijn vriendin. De vrouw haalt haar schouders op: „Dat spreken wij hier allemaal.”

Ik voel me als een huisslaaf met een Louis XV pruikje: ik lijk zwart maar ben wit. Ik snap niet hoe ik moet staan, kijken, zitten, zingen, en ik denk dat iedereen me haat. Tot de mooie Gerda Havertong een zakje snoep laat rondgaan onder haar vriendinnen. Ze tikt me op de schouder en vraagt lief: „Jij ook?”

Dan zie ik schuin voor me een man, die met zijn hand het ritme van de liedjes op zijn knieën slaat. Eigenlijk danst hij in zijn stoel. Hij danst niet, hij swingt. En zo begint het, de golf, die uiteindelijk alles in de ruimte, ook mij, zal overnemen. Ik snap geen Surinaams, maar dit snap ik. Er is hier een groove. Ik begin hem te voelen. En hij voelt goed.

Na het zingen spreekt een jongen, namens de jongeren. En hij zegt dingen die ook op mij slaan. Dat hij opgroeide in twee werelden. Dat het niet alleen een zegen is om je bewust te worden van het verleden, maar ook een last. Want het verleden is donker.

En na de jongen spreekt de wintipriesteres. Ze staat in het midden van de zaal en roept: „Het is tijd om de dingen zo te noemen als ze zijn!” De geschiedenis wordt bepaald door de winnaars. Onze versie van de waarheid moet worden gehoord: we moeten de verhalen van onze voorouders vertellen.

Ik krijg het steeds warmer, wil ‘ja’ en ‘amen’ roepen, zoals tijdens een speech van Obama. Er is zoveel wat niet klopt! Zoveel wat nog niet is opgelost! Wat 300 jaar geleden gebeurde, is nooit gestopt, het is alleen getransformeerd. Ik zie hoe dichtbij het verleden is. En wat een wonder het is dat deze mensen niet hard en bitter zijn geworden. Ik zie hoe mooi ze zijn. En dat het tijd is om ze te laten ademen.

De wintipriesteres roept: „Vandaag is de dag dat we onze voorouders tot helden verklaren!” Iedereen begint te klappen en te juichen. En dan staat iedereen op en begint elkaar te omhelzen. Mij ook.

Daarna is er geen weg meer terug. Trommels, zweet, mensen die in trance van hun stoelen vallen. We dansen, bezeten. Zoals in de scène uit Et Dieu créa la femme, waarin Brigitte Bardot de rumba danst. Maar hier heeft het dansen niet met seks te maken, of niet alléén. Er is seks, maar niet plat, het is er als een onderdeel van het leven. Het prachtige, kleurrijke leven. We zijn in de jungle. Alles ademt. En ook de griezelige dingen zijn goed. Er is niets om bang voor te zijn, we zijn samen.