Schrijvers vóór en achter de tralies

Gevangenis-literatuur Wie wil weten hoe het in een gevangenis is, kan beter romans van Stendhal of Dickens lezen. Gevangenen schreven namelijk maar weinig over de realiteit in hun cel, aldus Maarten Asscher in zijn proefschrift.

Voor liefhebbers van literatuur die niet alleen genoegen nemen met de waan van de dag, maar ook auteurs uit voorbije tijden tot hun wereld rekenen, is de handelseditie van het proefschrift Het uur der waarheid van Maarten Asscher goed nieuws. Bij zijn onderzoek naar ‘gevangenschap als literaire ervaring’, zoals de tweede titel luidt, heeft hij zich tot auteurs uit de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw gewend, waarbij twee 19de-eeuwers zelfs in de achttiende eeuw geboren zijn en dat terwijl er in recenter tijden toch ook welschrijvers zijn geweest die een relaas over hun jaren achter tralies hebben geschreven.

Asschers aanpak is tweeledig. Ten eerste heeft hij onderzocht hoe gevangen auteurs tijdens of na hun gevangenschap hun ervaringen over een leven van eenzame opsluiting op schrift hebben verwerkt, daarnaast is hij nagegaan hoe vrije auteurs, die nooit achter slot en grendel hebben gezeten, de ervaring van een leven in de gevangenis hebben verbeeld.

Voor de eersten heeft hij de toneelschrijver Sylvio Pellico gekozen, bekend van zijn Francesca da Rimini uit 1818, maar ooit even beroemd om zijn gevangenisherinneringen, daarnaast Oscar Wilde en Albrecht Haushofer, die zijn gevangenschap niet overleefde en kort voor de ineenstorting van Duitsland in 1945 werd terechtgesteld. De auteurs die de fictieve gevangenschap voor hun rekening nemen zijn Stendhal, Charles Dickens en, misschien verrassend, Jan Campert, allen min of meer tijdgenoten van de drie anderen.

Eenzaamheid

Het instrument waarmee Asscher zijn materiaal te lijf gaat is de analyse van de auteursbiografie, voor zover relevant voor het verblijf in de gevangenis, en de literaire analyse. De studie begint met een korte beschouwing over de geschiedenis van eenzame opsluiting als gevangenisstraf en een uitleg van wat Asscher als de drie ‘constituerende elementen van de gevangeniservaring’ beschouwt, namelijk ‘de gecombineerde ervaring van straf, opsluiting en eenzaamheid’.

Wie denkt dat de werken van Pellico, Wilde en Haushofer het verslag zijn van een monotoon leven achter tralies vergist zich. Vergeefs zul je er avontuurlijke scènes tegenkomen als in de Graaf van Monte Christo, waar de gevangen held in zijn cel druk bezig is met lepels stenen los te peuteren en schrijfwaren te maken van roet en visgraten. Eerder is het tegendeel het geval. Zo is de rode draad van Pellico’s Le mie prigioni, Mijn gevangenissen, zijn ‘spontane bekering, vervolgens zijn worsteling om het geloof te behouden en uiteindelijk zijn volledige aanvaarding van zijn lot als Gods wil’.

De tweede casus, Oscar Wilde’s De profundis, interpreteert Asscher niet geheel ten onrechte als een liefdesbrief, maar tegelijkertijd valt hij over de stijl en vormgeving van de brief. ‘Geconstrueerd en kunstmatig’ zijn de kwalificaties en dat lijkt niet bedoeld als compliment. Asscher – en hij niet alleen – vindt kennelijk dat je je niet van een dergelijke stijl hoort te bedienen als je uit de gevangenis schrijft, hij vindt dat eigenlijk onoprecht.

Dat is opmerkelijk. Het komt blijkbaar niet in hem op dat Wilde’s manier van schrijven wel eens zijn natuurlijke wijze van uitdrukken zou kunnen zijn en dat de waarschijnlijk verlangde eenvoud in zijn geval juist onoprecht zou zijn. En sinds wanneer zou eenvoud niet gekunsteld kunnen zijn?

Later verzucht Asscher dat de lezer van Wilde geen antwoord heeft gekregen op de vraag hoe het is om in de gevangenis te zitten. In zekere zin hebben ze dat antwoord wél gekregen: in de gevangenis schrijft men, als men Oscar Wilde is, stilistisch en retorisch verantwoorde liefdesverklaringen. Men heeft er tijd genoeg voor. Albrecht Haushofer, ten onzent waarschijnlijk even onbekend als Silvio Pellico, krijgt een lange inleiding die de dilemma’s van zijn leven en ‘zijn uiterlijke loyaliteit’ als Schutzjude aan het nazibewind beschrijft. Zijn tachtig gedichten uit de gevangenis gaan net als bij de twee eerder genoemde auteurs nauwelijks over de ontberingen van een leven achter tralies, maar maken daarentegen de balans op van Duitsland tegen het eind van de oorlog, én bieden een ‘spiegel van de menselijke beschaving’. Ook hier vindt Asscher dat de dichter te ‘gepolijst’ te werk gaat. Misschien had hij rauwe emoties en gitzwarte ellende à la Käthe Kollwitz verwacht, maar hou dat maar eens tachtig gedichten vol, als dichter en als lezer.

Naast het werk van deze drie auteurs plaatst Asscher ter vergelijking drie fictieve gevangeniservaringen. In La Chartreuse de Parme van Stendhal, een tijdgenoot van Pellico, is het thema van gevangenschap alom aanwezig, maar wordt pas werkelijk belangrijk wanneer de held gevangen wordt gezet in zijn cel. In Stendhals beschrijving komt de lezer ‘een betovering van allerlei associaties’ tegen, de gevangeniservaring behelst niet meer dan ‘enkele korte onvolledige opmerkingen’. De rest is literatuur. Stendhal heeft dus verzonnen wat Wilde in werkelijkheid heeft gedaan: zich bezighouden met de liefde van zijn leven. De cel is voor hem een plek waar verlangens nog intenser worden ervaren dan in vrijheid.

Dickens’ roman Little Dorrit fungeert min of meer als pendant van Wilde’s De profundis. Hoewel Wilde en Dickens geen werkelijke tijdgenoten waren, woonden beiden in het Victoriaanse Londen – Dickens in het begin van zijn leven aan de ‘onderkant’ van de samenleving, waar hij door de gijzeling van zijn vader ervaring met de gevangenis had opgedaan. De roman is ‘doordesemd van het gevangenisthema’ legt Asscher uit. Hij toont dat ook overtuigend aan en besluit dat het ‘dankzij de duizelingwekkende architectuur van de verbeelding [is] dat deze roman de gevangeniservaring voor de lezer zo invoelbaar maakt.’

Hoewel hij in het gedicht de wij-vorm gebruikt – ‘wij waren achttien in getal’ –, schreef Jan Campert zijn befaamde gedicht De achttien dooden toen hij nog op vrije voeten was. Ondanks de gebreken is het een gedicht dat volgens Asscher op een pregnante wijze de gevangeniservaring weergeeft.

Vrijheid

Na lezing van Het uur der Waarheid komt de conclusie niet helemaal als een verrassing. Kortgenomen komt het hier op neer: ‘in autobiografische gevangenisliteratuur ontsnapt de lezer samen met de schrijver in gedachten, in herinneringen, in dromen en in toekomstverwachtingen uit de tijdelijke benauwenis van de eenzame opsluiting, in verbeeldingsliteratuur daarentegen sluit de in vrijheid schrijvende auteur de lezer op, door met literaire middelen de celdeur als het ware van buiten op slot te draaien.’ De verschrikkingen van de gevangenschap worden in de verbeelding ‘realistischer’ uitgemeten dan in de herinneringen van ‘echte’ gevangenen.

Literaire analyses zijn een kolfje naar Maarten Asschers hand en alleen al een goede reden om Het uur der Waarheid te lezen. Hij is er ook goed in. De steeds wat elegant deftige stijl, die ervoor zorgt dat de aandacht van de lezer geen moment verslapt, is zoals altijd bij Asscher een genoegen om te lezen.