‘Robert Longs gebrek aan schaamte is verfrissend’

Sarcastische liedjes over hypocriete Nederlanders maakten van Robert Long een ster. Zijn openheid over zijn homoseksualiteit was voor Paul Groot bevrijdend. Nu speelt en zingt hij Long in een musical.

Robert Long was de man die zong: „Toe maar jongens, de beuk d’r in, ja vooruit maar lui, zet ’m op. Maak je medemens maar af, een megatonnen massagraf. Koeioneer en martel maar, ja knuppel ze maar neer, liefst in naam der Lieve Heer.”

Met een tiental van dergelijke sarcastisch-provocerende liedjes, gezongen op luchtige toon, werd hij in 1974 in één klap een omstreden ster.

Zonder omwegen zong hij op zijn debuutalbum Vroeger of Later over zijn homoseksualiteit en zijn weerzin tegen de kerk, politiek en burgerlijke moraal. Het werd een onwaarschijnlijk succes: meer dan een half miljoen exemplaren verkocht en ruim twee jaar in de Album Top-100. Een nationale rebel was geboren.

Nu is Robert Long (1943-2006) terug in de theaters, als hoofdpersoon van een musical. Long wordt gespeeld door acteur en Koefnoen-maker Paul Groot (van 1968): „Alleen al vanwege zijn geweldige liedjes is Robert Long een goed onderwerp. Ik was zeven toen ik ze voor het eerst hoorde. Jezus redt, een brutaal en cynisch lied over het geloof. En Mien, waarin ik mijn oom Henk in herkende: zo’n burgerlijke man die vanuit zijn luie stoel zit te kankeren. Voor het eerst zag ik de realiteit in een liedje vertaald, op een grappige manier.”

De musical speelt zich af in de tijd dat Robert Long samen met Leen Jongewaard drie shows maakte, tussen 1980 en 1983. Die waren lekker vilein en extravagant, zegt Groot.

Voor jonge mensen was de houding van Long een voorbeeld, denkt Groot. „Als jonge jongen vond ik zijn openheid en brutaliteit inspirerend. Vooral van zijn zelfverzekerdheid was ik onder de indruk. Als gast bij RUR, de talkshow van Jan Lenferink, maakte hij er geen geheim van dat hij met Jan en alleman de koffer indook, dat hij dat zijn volste recht vond en wat iedereen er van vond maakte hem geen donder uit. Mijn bek viel open.”

Het openbarende van Long zat voor Groot ook in details. „In Jij wou mij totaal zingt hij: ‘De ene wou mijn hart, de ander wou mijn auto. De derde wou een foto waarop stond liefs voor Bart.’ Alleen al dat Bart een jongensnaam was, maakte mij enthousiast. Daar hield ik me aan vast. O, dat kun je dus hardop zeggen!”

Zelf is Groot niet zo rebels, zegt hij. „Ik ben van het bescheiden soort. Dat maakt het ook bevrijdend om dat soort onbehouwen karakters te kunnen spelen.” Hoewel, voegt hij eraan toe, laatst zag hij op tv het luidruchtige verzet van bewoners van Steenbergen tegen de opvang van vluchtelingen in hun dorp. „Dan begint het bij mij ook te jeuken. Als ik daar zou wonen zou ik flink om me heen maaien. Wat een gepenkoppen! Wat een treurigheid.”

Liever een moordenaar

Naarmate Groot ouder werd, ging zijn hart meer uit naar Longs liefdesliedjes. „In mooie, gevoelige nummers als Waarom huil je nou, Thorbeckeplein en Flink zijn raakt hij de kern van het verdriet bij afscheid moeten nemen. Om dat te waarderen moet je wat ouder zijn en een paar keer op de keien zijn gezet in je liefdesleven. Flink zijn heeft zo’n afgemeten tekst: ‘Jas aan, ’k ga de stad in, waar er meer zijn zoals ik, ’k Zal niet eenzaam zijn.’ Dat gaf troost.”

Jarenlang schreef Long columns voor het AD en op latere leeftijd publiceerde hij twee brievenboeken, correspondentie vanuit zijn huis in Italië met Cees van der Pluim. Uit die boeken rijst het beeld van een even levenslustige als boze man.

De oorsprong van de tegenstrijdigheden in zijn complexe karakter ziet Groot in zijn jeugd. „Zijn moeder scheidde al vroeg van zijn vader, die te veel vriendinnen had, en ging met Robert in een dorpje op de christelijk-gereformeerde heide wonen, bij Ede. Toen hij een jaar of twaalf was kreeg ze kanker en overleed. Na een korte periode in een tehuis, trok Robert bij zijn vader in. Tussen hen boterde het niet. Dat Robert homoseksueel bleek, vond die vader verschrikkelijk. Die zei: ‘Ik had nog liever gehad dat je een moordenaar was geweest’.”

Dat was nog niet alles: „Pas onlangs hoorde ik, van zijn echtgenoot [Kristof Rutsaert, met wie Long in 2005 trouwde] dat Robert maandenlang niet heeft geweten dat zijn moeder was overleden. Zo bizar. Kennelijk hebben ze hem weggehouden in de fase dat ze terminaal was en overleed. Dat doet iets met een kind. Dat schendt vertrouwen. Dat kan niet anders. Ik zie hem als iemand die dusdanig gekwetst uit zijn jeugd is gekomen dat hij besloot: ik trek voortaan zelf aan de touwtjes. Ik bepaal hoe ver ik emotioneel ga in relaties met mensen.”

Zelf hield Long psychologiseren af, maar tegenover interviewer Ischa Meijer spreekt hij in 1989 vrijuit. Een passage uit dat schitterende gesprek is beland in de musical, met Jongewaard als aangever. Long is open over zijn voorkeur voor anonieme seks, die hij zijn avonturen in bos en beemd noemde. Groot: „Dat wilde ik er graag in hebben. Bij bos en beemd gebruikt hij woorden als ‘loeren uit ooghoeken’ en ‘touch and go’. Daar is niks tegen in te brengen. Dat gebrek aan schaamte is verfrissend.”

Long wilde zich nooit vastleggen in relaties. Over zijn geloof in promiscuïteit zingt hij al op zijn debuut, in Liefste, mijn liefste. Groot: „Waarom zou je niet van heel veel mensen kunnen houden, vraagt hij zich af. Daar hoor je dat hij een muurtje om zich heen had gebouwd. Die bindingsangst is de voedingsbodem voor mijn rol in de musical geworden.”

Huichelaars

In de musical zijn Long en Jongewaard te zien in het repetitielokaal, terwijl ze tobben over een nieuw programma en elkaar uitdagen en irriteren. Alleen de schoonmaakster (Margreet Boersbroek) komt tussendoor. Ze blijkt een fan die Longs liedjes feilloos beheerst. Na de pauze zijn er stukjes uit hun gezamenlijke shows te zien.

Long en Jongewaard vonden elkaar in hun afkeer van Seth Gaaikema, zegt Groot. Samen hadden ze opgetreden in zijn musical Swingpop. „Die vonden ze verschrikkelijk. Na de première kwam Seth op de deur kloppen en zei: ‘Heren, we hebben geschiedenis geschreven.’ Terwijl zij over hun nek gingen. Die hebben heerlijk zitten kankeren in de bus naar al die theaters.”

Voor Jongewaard, die werd vereenzelvigd met zijn typetjes uit de populaire musicals Ja zuster nee zuster en Schaap met vijf poten, waren de shows een kans zijn talent te ontplooien. Groot: „Hij was zo’n lenige acteur. Iemand die de zaal uit zijn hand liet eten en die van intiem naar grotesk kon gaan. Ik had de platen van die shows en luisterde daar met gespitste oren naar.”

In vergelijking vindt Groot Long een stuk degelijker klinken. „Dat keurige zingen van hem zat me wel eens in de weg. Maar het materiaal was geschreven door Long. Als schrijver is hij misschien wel interessanter dan als zanger of performer. Hij schreef zulke goed verwoorde, soepele liedjes.”

Muzikaal zijn veel oude nummers eigenlijk onverdraaglijk. Een lompe carnavalsdeun dient geregeld als tegenwicht voor het venijn in de teksten. „De hoempapanummers hebben we tot een minimum beperkt”, zegt Groot. „En waar mogelijk zijn nummers jazzier of steviger, met rockgitaar, gearrangeerd.”

De stijl van de shows bij Long en Jongewaard was burlesk. „De sfeer doet denken aan Cabaret. Zoals ze het publiek uitdagen en uitmaken voor huichelaars. En door de scabreuze grappen en een striptease tussendoor. En dan het publiek jennen met hun slechte smaak: ‘Geef maar toe dat je dit leuk vindt’. Daarin was Long op zijn best.”