Ooit vrijheidsstrijder, later misdadiger

‘Nu ik de zeventig ben gepasseerd houd ik mijn mond niet meer. De jongere generatie moet weten wat er gebeurd is en moet weten wat een guerrilla-oorlog betekent: een plotselinge en stille moordaanslag op je leven, in een zee van doodsangst.’ Deze uitspraak van een Indië-veteraan in Soldaat in Indonesië 1945-1950 is veelzeggend voor het lot dat Nederlandse soldaten trof, zowel in Nederlands-Indië waar ze een ‘verloren oorlog’ vochten als eenmaal terug in Nederland. Ook spreken hieruit de doorstane angsten en onbegrip na thuiskomst.

Historicus Gert Oostindie, directeur van het KITLV (Koninklijk Instituut van Taal-Land- en Volkenkunde), stelde het boek met studenten samen op basis van 100.000 bladzijden gepubliceerde egodocumenten van 1300 militairen. In totaal vervulden 220.000 soldaten en oorlogsvrijwilligers een steeds onduidelijker missie. Eerst luidde de opdracht te vechten tegen de Japanners, maar na de capitulatie van Japan richtte de strijd zich tegen Indonesische nationalisten. In brieven, dagboeken en memoires tonen soldaten de duistere en grimmige kanten van de oorlog. Het onderwerp leeft volop: in Museum Bronbeek, Arnhem en Verzetsmuseum Amsterdam zijn twee indringende exposities te zien over de tijd 1945-1950: Oorlog! en Koloniale oorlog. Gewenst en ongewenst beeld.

Oostindie gaat verder waar de befaamde Excessennota uit 1969 is blijven steken. Halverwege stelt hij dat er niet langer van ‘excessief geweld’ gesproken kan worden, dus bij wijze van uitzondering, maar van ‘structureel’ geweld in de betekenis van ‘zeer veel toegepast’, niet zozeer verordonneerd van hogerhand maar ook voortkomend uit angst, verwarring, verveling. Eerlijkheid gebiedt te stellen dat geschiedkundige Remy Limpach in augustus van dit jaar in zijn dissertatie eerder tot deze conclusie kwam.

Dat misdrijven vaak voorkwamen, bewijst elke bladzijde: het doden van vrijheidsstrijders en burgers, seksuele wandaden, platbranden van kampongs. De vredesmissie ontaardde tijdens de Tweede Politionele Actie in een ‘vuile’ en tot slot ‘vergeefse oorlog’. We waren een ‘dodende machine’, ‘men voerde uit en wist niet eens waar de orders vandaan kwamen’.

Misschien is nog het aangrijpendste van dit boek dat je steeds meer begrip en zelfs compassie krijgt met de soldaten die in het verre, vreemde land terechtkwamen in een ‘sluipoorlog’. Ze werden als ‘vrijheidsstrijders’ uitgezonden en als ‘oorlogsmisdadigers’ afgeserveerd. Die pijn laat Oostindie onthutsend zien.