Column

Mbo-scholen worden kleiner maar de grote conglomeraten blijven een risico

Onderwijsminister Bussemaker (PvdA) wil een rem zetten op schaalvergroting in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), maar daarmee zijn grootschalige scholen niet uit de wereld. De rem op schaalvergroting heeft een positieve én een negatieve drijfveer.

De positieve wending in het beleid is het herstel van de menselijke maat. De minister herleidt dit voornemen tot het regeerakkoord, dat inmiddels overigens drie jaar oud is. Wat meer tempo was plezierig geweest. Dit voornemen gaat immers ook talloze andere organisaties in onderwijs, gezondheidszorg en volkshuisvesting aan, evenals gemeenten.

Aan de norm van de menselijke maat koppelt minister Bussemaker het getal 5.000. Boven dat leerlingenaantal moeten scholen hun beroepsonderwijs organiseren in herkenbare kleinschalige colleges. Kleinschaligheid moet schooluitval tegengaan. Maar meer ruimte voor betrokkenheid en kwaliteit van leraren is nog effectiever. En laten scholen soepel en praktisch zijn: men hoeft niet eerst tot 5.000 te groeien om vervolgens kleinschaligheid te organiseren. Aan het hoofd van het college komt in Bussemakers visie een directeur-duizendpoot: zichtbaar, bewaker van kwaliteit en aanspreekpunt voor het bedrijfsleven.

Consequent is de minister niet. De kleinschalige colleges mogen wel samenklonteren in grotere organisaties, mits de herkenbaarheid daar niet onder lijdt. Bussemaker kent, zo blijkt uit haar brief aan de Tweede Kamer, hier goede voorbeelden van. De consequentie is dat grotere onderwijsconglomeraten met eigen raden van bestuur onbezonnen groeiplannen en topbeloningen kunnen ontwikkelen, en zo in conflict komen met hun kleinschalige directeuren.

Maar voor samenwerking hoef je niet samen te gaan. Samenwerking kan ook op praktische terreinen, zonder extra bestuurslaag. Op die manier kunnen scholen ook de gevolgen weerstaan van de bevolkingskrimp in delen van Noord-, Oost- en Zuid-Nederland.

De negatieve drijfveer van de minister is de schade van calamiteiten, zoals onlangs nog weer bij ROC Leiden. Het patroon is steeds: fonkelende nieuwbouw, onbeheerste groei en tekortschietend toezicht. Toen het misging, moest de overheid ingrijpen. Dat leek te veel op de banken tijdens de kredietcrisis: te groot geworden om bankroet te gaan en van lieverlee ondersteund door de overheid, die een deel van de kosten over de sector uitsmeert.

Minister Bussemaker stelt terecht dat het onderwijs het publieke belang is, niet het voortbestaan van een onderwijsinstelling. Daarmee kiest zij een vergelijkbare formulering als in de gezondheidszorg: zorg is vitaal, de zorginstelling niet. Bussemaker moet de streep duidelijker trekken. De redding van ROC Leiden was de laatste redding.