Column

Machteloosheid is een moeilijk gevoel

‘We praten over wereldproblemen, maar als je ziet hoe moeilijk het al is om in je eigen leventje je problemen op te lossen”, verzuchtte mijn moeder, met wie ik zojuist had zitten praten over vluchtelingen en terroristen en de arrogantie van het Westen met zijn universele waarden.

Het is waar. Het is makkelijker om te zeggen: „we moeten” (en dan zijn ‘we’ iedereen in de Westerse wereld) „ons wel realiseren dat we met al ons gepraat over gelijkheid en democratie veel mensen elders in de ellende storten” of grootse woorden van gelijke strekking, dan te zorgen voor wie dichtbij is. In het groot zeg je eenvoudigweg: „Er zullen altijd mensen zijn die buiten de boot vallen” maar als die mensen je broers, je vrienden of je ouders zijn, dan praat je zo niet.

Machteloosheid is een moeilijk gevoel. En de waarheid is dat je dat heel vaak bent. Nee nu niet weer gaan zeggen: ‘een telefoontje doet al zo veel’. Soms doet een telefoontje helemaal niet zoveel. Soms is een telefoontje het enige wat nog overblijft en hang je zuchtend op.

Het is een ellendig gevoel als je mensen die je na staan niet kunt helpen. Je ziet hoe je broer te gronde gaat, je vriend vereenzaamt, je vriendin grote verliezen te verwerken krijgt – en al die dingen lijken soms zo groot en zwaar dat de wereld erbij verbleekt. In de wereld weet je wel hoe het moet! Maar hier sta je machteloos. Misschien droomt ieder van zichzelf wel dat hij of zij heel geschikt zou zijn als fee. Degene die het met wat gezwaai van een toverstokje voor anderen allemaal goed zou kunnen regelen.

Daar zit ook een zekere bemoeizucht of betweterigheid in. Je denkt immers te weten hoe het goed zou zijn, ook zonder je toverstokje denk je dat. „Als die ander nu maar goed luistert en doet wat ik zeg, dan zal hij uit de problemen komen.” Maar je weet heel goed, van keren dat je er zelf niet uitkwam, dat men sommige gedragingen gewoonweg niet van zichzelf gedaan kan krijgen.

Grenzen stellen! roept iemand tegen je – maar je trekt die grenzen niet als het nodig is, want je bent een meegaande angsthaas.

Verplaats je eens in de positie van een ander! roep je zelf tegen iemand – maar die kan het niet, want zijn eigen positie staat veel te groot voor zijn ogen.

Dan erger je je.

In het groot zie je ook veel machteloosheid. Er wordt geschreeuwd over ‘oorlog’. De kranten en tijdschriften staan bol van de analyses. We willen heel graag greep krijgen op wat we niet begrijpen. Sommige van die analyses zijn heel verstandig en lijken heel waar – zolang er in het algemeen gesproken wordt. Per individu zijn de details en de moeilijkheden talrijk.

We leren dat tot onze waarden behoort dat iedereen gelijkwaardig is, dat minderheden ook rechten hebben, dat elk individu het recht heeft om geluk na te streven. Ook in het klein heeft ieder recht op zijn eigen manier van leven zolang hij anderen geen schade berokkent, vinden we.

Maar mensen zelf laten besluiten wat ze willen, is niet zo makkelijk. Want als ze geluk nastreven op een manier waar wij niet in geloven, (religie, zedigheid, plaatselijke rechtspraak), dan houden we ze meteen voor ontoerekeningsvatbaar. Een Syriër die onze boterhammen met kaas niet blieft is ondankbaar. Een werkloze die geen sollicitatiecursus wil ‘werkt niet mee’. Iemand die geen zin heeft in jouw toverstokje is gekmakend eigenwijs.

Handenwringend staan we erbij. We staan machteloos.