Kijk, meneer Broersen, in zijn nette pak

(63) werd leraar Nederlands toen er nog geluisterd werd als je De Gijsbrecht voorlas. Hij doorstond onderwijsvernieuwing na onderwijsvernieuwing. Vlak voor de eindstreep ging het toch nog mis.

De vader van Martin Broersen teelde rodekool en wittekool, en ook wel bloembollen, maar zijn liefde had het niet. Hard werken voor weinig geld. In 1947 verkocht hij zijn bedrijf en begon, met zijn vrouw, een sigarenzaak in de Amsterdamse Rivierenbuurt. Verkeerd gegokt. Broers en neven die in de bollenbusiness waren gebleven, werden een voor een miljonair. Hij zocht troost in de alcohol.

En dan al die kinderen die geboren werden, tien in twintig jaar, de miskramen niet meegeteld. „Mijn moeder wilde ze niet”, zegt Broersen (1952). „In elk geval niet zoveel. Maar ze moest.” Katholiek. Nog hoort hij het geluid van zijn vader die zijn moeder achterna zat, het gebeuk op de deur van de meisjeskamer waar ze naartoe vluchtte. „Daar naast de winkeldeur”, zegt hij, opzij wijzend. „Ze sliepen in stapelbedden. De jongens sliepen in de kelder.”

We zitten in de oude sigarenzaak, nu een Surinaams afhaalrestaurant. We zijn de enige klanten. „De buren hadden een zuivelwinkel en verderop zat de bakker. Daar ging het ook zo. Allemaal katholiek, de mannen waren heer en meester. Je kunt het je niet meer voorstellen.”

Op zijn twaalfde ging hij naar de St. Jozef Ulo (uitgebreid lager onderwijs) in de Van Ostadestraat, de Pijp. Dat hadden de broeders zo bepaald en zijn ouders bemoeiden zich nergens mee. Zelf was hij liever naar het Ignatius gegaan, hbs of gymnasium. Na de ulo deed hij de havo, hij wilde verder met economie. Maar het was inmiddels 1970 en zijn leraren waren „ultralinks”. Iets gaan doen waarmee je het bedrijfsleven in kon? Bah. Ze raadden hem de lerarenopleiding aan.

Nederlands en Engels. Stage op een leao (nu vmbo) in Amsterdam-Oost. Hij dacht dat hij gek werd. „Boomlange Surinamers. Ik kon ze niet aan, met mijn kleinburgerlijke achtergrond. Ik moest het hebben van wat ik wist, niet van mijn vermogen om hen in bedwang te houden.”

Voor het eerst van zijn leven nam hij zelfstandig een besluit. Hij gebruikte het beetje spaargeld dat hij had sinds zijn vader was overleden – levercirrose – en schreef zich in aan de Vrije Universiteit.

Nederlandse taal- en letterkunde, toen een populaire studie. De hoogleraren zaten niet op hem te wachten – het niveau van de opleiding zou dalen door de instroom van hbo’ers – maar hem tegenhouden konden ze niet.

„De mooiste jaren van mijn leven”, zegt Broersen. „Ik ontdekte de schoonheid van de literatuur. Mulisch. Claus. Vestdijk. Ik leerde de diepte van de geschiedenis te doorgronden. Zelfs zogenaamd saaie periodes als de Renaissance vond ik machtig interessant. Mijn beste lessen later gingen daarover.”

Hij woonde op Uilenstede, een studentenflat, en leerde de vrouw kennen met wie hij zijn leven zou gaan delen, Johanna. Ze was de ambitieuze dochter van een veehandelaar uit de Achterhoek die Duits studeerde. Hij zou nog ontdekken hoe beschadigd ze was, maar nu waren ze verliefd en gelukkig, en samen gingen ze de wereld ontdekken. Schouwburg. Concertgebouw. Parijs. Amerika. Azië. Zo trots als ze waren op hun nieuw verworven status. Academici! Zij! Broersen liet zijn haar knippen, trok zijn paars gevlamde corduroy broek uit en kocht voortaan pakken in de P.C. Hooftstraat. Die was toen nog niet zo duur als nu.

In 1982 kreeg hij een aanstelling als eerstegrader op een vwo/havo in Twente – Johanna wilde graag in de buurt van haar moeder wonen. De arts die hem keurde zei dat die school het neusje van de zalm was. Zijn literatuurlessen begonnen in de Middeleeuwen en hij maakte er een gewoonte van om ieder jaar de Gijsbrecht van Vondel voor te dragen. Broersen: „In het begin had ik een bandopname met Ko van Dijk, maar op een gegeven moment dacht ik: veel leuker als ik het zelf doe. Mijn leerlingen moesten luisteren, de Gijsbrecht stond op de verplichte lijst, en ze lúísterden ook, de meesten tenminste. Er waren nog geen iPhones. Lanseloet van Denemerken las ik ook voor, daar ben ik pas een jaar of tien geleden mee opgehouden. Het was echt volkomen belachelijk geworden om voor de klas in het Middelnederlands te staan declameren.

De neergang, zegt hij, begon in 1985, toen het kabinet besloot leraren niet meer naar hun opleidingsniveau te betalen, maar naar het niveau waarop ze lesgaven.

Tegelijkertijd was het de bedoeling dat scholen zo ‘breed’ mogelijk werden. De school waar Broersen werkte, fuseerde met een mavo. Het duurde niet lang of er meldden zich voornamelijk nog mavoleerlingen aan. Nieuwe leraren waren allemaal tweede- of derdegrader. „Zij vonden literatuuronderwijs onbelangrijk. Sommigen van hen hadden de grootste moeite om zinnen te ontleden of foutloos te spellen. Een woord als ‘gemelijk’ kenden ze niet.”

Toen kwamen de onderwijsvernieuwingen van de jaren negentig. Basisvorming. Studiehuis. Competentiegericht leren. In 2008 zou de commissie-Dijsselbloem concluderen dat de kwaliteit van het onderwijs er ernstig door geschaad was, maar voorlopig kreeg Broersen te maken met verplichte bijscholingscursussen over dingen als nut en onnut van het leesonderwijs. „Dat heb ik in de loop van de jaren in wel tien verschillende vormen opgediend gekregen en het begon er altijd mee dat we het tot dan toe verkeerd hadden gedaan. Ik vind: lezen is lezen. Je moet het gewoon doen. Maar ik hoor het Tineke Netelenbos [staatssecretaris van onderwijs van 1994 tot 1998] nog zeggen. Twintig boeken? Zoveel hadden leraren zelf niet eens gelezen. Ja, daar had ze gelijk in.”

Hij kreeg ruzie met collega’s die vonden dat stripboeken ook prima waren. Hij moest keer op keer aanhoren dat klassikaal lesgeven niet meer kon. Vertellen dat W.F. Hermans een existentialist was en waarom? Kom op, zeg. Hij moest wegen zoeken waardoor leerlingen dat zelf konden achterhalen en beoordelen. Een leraar was geen leraar meer, maar een coach.

Thuis kreeg hij te maken met een vrouw die ernstig depressief werd nadat haar vader, de veehandelaar, zich in de stal achter zijn huis met een jachtgeweer door het hoofd had geschoten.

„De rotzooi zat tot aan het plafond. Ik heb het opgeruimd.” Bij de psychiater bleek dat haar vader haar als meisje jarenlang misbruikt had. Ze reageerde haar razernij af door relaties te beginnen met machtige mannen die zich naar haar hand lieten zetten.

Het liep uit op een scheiding. Ze nam het zoontje dat inmiddels was geboren met zich mee. En toen kreeg ze de ziekte van Kahler, een kwaadaardige woekering van de plasmacellen. Ze stierf in 1999 en het zoontje ging naar Broersen. Ze had hem op haar sterfbed gevraagd om voor hem te zorgen. Daarna: de mislukte pogingen om met een andere vrouw opnieuw te beginnen. De kortstondige en kamikazerelatie die hij had met een meisje van school. Ze was 19, ze had al eindexamen gedaan en zij begon. Maar toch. Nu zou hij er misschien wel om ontslagen zijn.

Een jaar of zes geleden, hij liep tegen de 60, begon hij klachten te ontwikkelen. Hij was nog altijd iedere ochtend om half acht op school, ook als hij pas het derde uur hoefde te beginnen, maar ontspannen kon hij zich niet meer. Zondag ’s avonds had hij de zenuwen. Hoe kwam hij de week door? En dat terwijl het werk voor hem weer relatief gemakkelijker was geworden. Zijn school had de mavo afgestoten, de meeste lessen gaf hij aan vwo-leerlingen. Maar ook die kunnen je het bloed onder de nagels vandaan treiteren, en hij wist niet meer hoe hij zich moest verweren.

Als hij langs het hok van de conciërges liep, wist hij zeker dat ze hem nakeken.

Haha, moet je meneer Broersen zien, in zijn nette pak. Een ruzie met zijn collega’s over het lesprogramma liep totaal uit de hand. „En dat was”, zegt hij, „mijn schuld.”

Op een dag, ruim twee jaar geleden, het eerste uur was net begonnen, pakte Broersen zijn spullen bij elkaar en ging naar huis. Voor een week, dacht hij. Een maand misschien. Hij is nooit meer teruggegaan. „En dan kom je in een traject van allerlei regelingen waar je helemaal gek van wordt.” Sinds een paar weken heeft hij zekerheid: vervroegd pensioen, minder geld. Voor zijn afscheidsfeest stelt de school 150 euro beschikbaar.

Het grootste verdriet is wel voorbij, zegt hij. Hij heeft zijn huis laten schilderen, zijn tuin laten opknappen. Hij sport. Hij leest. Hij gaat weer naar de schouwburg. Hij doet vrijwilligerswerk in een oud kasteel, nu een museum. De barones die er voorheen woonde, woont nu in een huis bij de moestuin. De zoon van Johanna studeert geneeskunde en zou zich graag specialiseren tot oncoloog.