Achter de façade van de Surinaamse gezelligheid

Nu wordt het einde van de slavernij niet alleen gevierd, maar ook herdacht. Foto Olivier Middendorp

Tessa Leuwsha is in 1967 geboren. Toch zit tussen haar en de slavernij slechts één handdruk. Ze kwam daar pas achter bij de zoektocht naar haar grootmoeder. Want oma Fansi sprak nooit over Suriname. In 1970 was ze naar Nederland gekomen – haar meeste kinderen achterna. Zoals veel Creoolse moeders trouwde ze nooit.

Fansi’s stilte is het resultaat van die zoektocht. Waarom zweeg Fansi? Waarom waren haar kinderen, die onderling weinig contact meer hadden, zo weinig spraakzaam geweest over het land van hun jeugd. Oma Fansi (1905-’78) belandde al enkele jaren na haar komst in een bejaardenhuis in Eindhoven.

Leuwsha, kind van een Surinaamse vader en een Nederlandse moeder, schreef eerder de romans De Parbo-blues (2006) en Solo, een liefde (2009). In Fansi’s stilte vervlecht ze Surinaamse geschiedenis moeiteloos met verhalen van haar ooms en tantes. Door haar sobere stijl ontstaat een boeiend beeld van een Surinaamse familie, in Suriname en Nederland.

Leuwsha beschrijft de schrijnende Surinaamse levens van haar familie, waarbij ze het clichébeeld van de Surinaamse vrolijkheid doorprikt. Achter die façade van gezelligheid schuilt schaamte. ‘Alsof feestvieren van levensbelang was’, schrijft ze over de feesten in Bijlmergarages waar ze als tiener kwam.

Oma Fansi blijkt het kind te zijn van een blanke Britse zendelingsdochter en een zwarte man, al was dat aan haar donkere uiterlijk niet te zien. Ze werd afgestaan: kinderen van blanke vaders en zwarte moeders werden wél geaccepteerd, het omgekeerde lag in de kolonie veel gevoeliger.

Fansi werd als ‘kweekje’ opgevoed door Ma Loui – Angelica Louisa Brown. Deze marktvrouw was in 1851 als slavin geboren en tot 1863 (toen de slavernij werd afgeschaft) eigendom van een planter, zo ontdekt Leuwsha via oma’s pleegfamilie. Verklaart dat pijnlijke verleden oma’s norse karakter? ‘Wat je niet hebt gekregen, kan je ook niet geven’, zei ze eens tegen een van haar kinderen toen die vroeg waarom ze haar jongste dochter niet knuffelde. Sinterklaas (‘nonsens!’) mochten de kinderen niet vieren, wat met Fansi’s achtergrond te maken had. Na haar dood blijkt dat Fansi een vergeelde foto van haar blanke moeder bij zich droeg.

Als Leuwsha aan een tante vertelt dat ze de familiegeschiedenis wil opschrijven roept die uit: ‘Al dat zwijgen, schrijf dat boek.’ Leuwsha maakt koloniale geschiedenis persoonlijk. Niet alleen voor haar familie is dat confronterend.